Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Er zit geen sleutel op onze deur, Tobias," riep Fietje zoo flink mogelijk: „je weet immers wel, dat alles hier vast zit in huis!"

— „O," klonk de jongensstem aan den buitenkant van de deur, „dat is waar! Ik wist echter niet, dat jullie ook al kleefden!... Dan zal ik je wel vlug even bevrijden."

Op het vernemen van deze woorden had Cornelia haar hoofd met een gebaar van prachtig bestudeerde wanhoop achterover laten vallen; geen tooneelspeelster, die het haar verbeterd zou hebben. En ook Fietje, die meende, dat Tobias den spot met zijn zusters dreef, had nog een paar laatste tranen over, die nu langs haar bleeke wangen liepen, terwijl zij voor haar ontaarden broer niets anders over had dan een minachtend: „Foei!"

Doch beider ontsteltenis was hevig, toen de deur van haar kamer daar in-eens als van zelf open ging.

— „Liggen jullie nog in bed?", vroeg Tobias. „En nog wel aangekleed 1"

De twee zusters staarden hun broer aan, alsof hij een geestverschijning was. Maar Tobias trok een onschuldig gezicht en trachtte zoo ongedwongen mogelijk te doen. Hij stak zijn hand voortdurend in zijn zak, haalde ze er weer uit, en spreidde dan op een zonderlinge manier zijn vingers van-een, alsof hij iets rondstrooide.

— „Sta jullie toch op!", riep Tobias. „Alles is even stil hier in huis. Waar is Mama, waar is Papa? Hoe is 't met Tante Drees? Is het hondje nog schijndood? En is de papegaai nog zoo van streek?"

Hij kreeg geen antwoord op zijn vragen. Toen keek Tobias scherper naar zijn twee zusters, die daar nog altijd lang uitgestrekt op het bed lagen.

— „Ben jullie ziek?", vroeg Tobias meewarig.

— „Natuurlijk!", viel nu Fietje uit, „iedereen hier in huis is ziek, bijna dood!"

Dit maakte slechts weinig indruk op haar broer, die de overdreven manieren van zijn zusters wel scheen te kennen.

— „Wat mankeert jullie dan ?", vroeg hij een beetje onverschillig.

Sluiten