Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die haar met een hartelijken kus op de wang bevrijd had uit de vreeselijke houding, waarin zij den geheelen nacht had moeten doorbrengen.

— „Waar is Tobias?", riep Cornelia, zijn oudste zuster; ze was anders nooit bijster vriendelijk voor haar broer, doch nu kon zij niet ontkennen, dat van het oogenblik, toen hij in haar kamer was binnengetreden, waar zij stervensbereid ter neder had gelegen, de verstijving van -haar beenen was verdwenen.

—- „Waar is Tobias?", riep ook Fietje; en zóó opgewonden was deze, dat ze voortdurend met haar weer lenige armen in het rond zwaaide.

— „O, waar is die goeie, brave, trouwe, hartelijke, lieve Tobias?", klonk de stem van Tante Drees uit haar kamer. En meteen ratelde ze in één haastigen woordenvloed voort, hoe ze geslapen had, zóó vast, en gedroomd had, zóó vreemd, en dat het was, of haar tong verlamd was geweest, en dat, wat ze ook zei of riep, niemand haar verstaan, of hooren, of begrijpen kon, — tot die groeie, brave, trouwe, hartelijke jongen haar was komen wekken en haar uit dien zwaren slaap had helpen ontwaken. Maar waar was Tobias nu?

En tegelijk begon de poes te sissen als een stoommachinetje, en Fidel kefte zonder ophouden, alsof hij zijn schade wilde inhalen, en Lorre braakte een verzameling scheldwoorden uit, welke in één woord ergerlijk was.

— „Waar is Tobias?", herhaalden allen. Waar was Tobias toch!

* *

Tobias was langs de regenpijp, die langs den achtergevel van het huis van Tante Drees liep, weer in de dakgoot geklommen, juist zooals hij dit reeds denzelfden ochtend had gedaan, toen de inspecteur van politie hem achterna zat.

Hij vluchtte nu minder overhaast dan toen, want al was het hem er wel om te doen, zijns vaders driftbui te ontloopen, toch

Sluiten