Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Baron steeds riep: „wacht, nu kom ik" maar altoos kwam, als 't te laat was, en dus ook geen sprong gewaagd heeft. Toen Kopje-buitelen; de meisjes kenden 't ook al, de jongens zelfs achterom, die vouwden zich driedubbel op en doken aan de rechterzijde weer te voorschijn. „Net de zeehond, die vanochtend bij het baden in zee was" vond Kareltje en hij probeerde ook zoo achterom, maar het lukte slechts half en hij gaf 't maar op. De Baron moest 't nog leeren, hij -beweerde, dat hij er ziek van werd, maar daar merkten wij niets van en hij moest, op hoog bevel, driemaal per dag oefening houden. Trientje was boven op den uitkijk gekropen, en Kareltje plaagde haar en riep „Aaltje zat op 't paaltje, wip zei 't paaltje, weg was Aaltje", ze bleef echter zitten turen en riep op eens: „Ik zie twee Zeppelins", „Ja zeker, ik vier" riep Wim ongeloovig. Maar Trientje had gelijk, daar kwamen ze statig aan, zoo dicht bij, dat sommige sperwersoogen het schuitje konden zien. Daarna nog een en nog twee, ten slotte, wel een tien

Sluiten