Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprak Michiel hardop voor zich uit en tuurde in de verte, „nee dat juist niet, der is een aalreiger, kiek daar vliegt ie over het wad." De meeuwen dwarrelden door de lucht als zilveren loovertjes van een tooverboom geschud, als dikke sneeuwvlokken, die even door een Maartschen zon worden beschenen, eer ze tot slijk verworden op de straatsteenen. Ze piepten en kirden, ze fladderden om weldra weer in een groote kolonie neer te strijken, daar waar ze blijkbaar hun broedplaatsen hadden! Telkens en telkens kwamen we zulke groote zwermen tegen ,,'t Is twaalf uur, Michiel, moet je soms een potje bier!" „Nog niet, eerst moeten we rijden tot waar we wezen moeten. Hier is de Eendenkooi, kijk, wat een boomen. Ja hier willen de eenden best zich vangen laten, beter dan in het Westen van het eiland." „Mag je dat zien, zoo'n kooi ?" „Neen, dat mag niet, dat verstoort de eenden, ze worden hier gelokt door tamme eenden en voer, ze zwemmen tot ze den uitweg niet meer terug vinden kunnen, ze blijven dan ge-

Sluiten