Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kareltje," zei ik op een zonnigen, stillen ochtend, „Kareltje, we zullen wat stroop moeten halen, ik heb niets meer voor de roggemikjes." „Och juffie, laat de Baron het doen, die doet 't zoo graag en die loopt met zijn ziel onder zijn arm." Ja, dat was waar; de Baron was een van de eersten, die uit zijn slaapkamer verscheen, en dan drentelde hij voor tijdverdrijf boven op 't hek, wiegend op en neer om zijn evenwicht te houden. Hij oefende zich eiken ochtend, bij weer en wind, en hij kon 't al heel aardig. „Baron, wil jij even gaan ?" riep ik uit mijn zolderraam, waar ik hem zag wibbelen op 't hek, terwijl Piet al lang over zijn onderdeur hing en zwijgend toeschouwer was. „Nou als je blieft Juf, misschien krijg ik wel een koekje." Daar onze Baron, zoolang we in Ameland waren, leed aan een nooit te verzadigen honger, bracht hij aanstonds verband tusschen een boodschap en een koekje. „Voor wat, hoort wat," dacht hij. Hij kreeg zelden iets maar altoos ging hij weer met dezelfde

Sluiten