Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drukking, — maar op mij en op anderen, die 't veel mooier gezien hadden, maakte 't niet den minsten indruk. „Kom laten we gaan jongens, 't is al zoo laat, en eer we thuis zijn misschien middernacht." Lampions werden aangestoken, neuzen geteld en weldra trokken we met ons tienen dorpwaarts. Twee fakeldragers voorop, dan vier lichtloozen, dan weer twee lichten en als hekkesluiters eveneens twee lichtdragers. Een allergezelligst troepje; alleen zoo koud en zoo vochtig. En o, toen we de zeeduinen overgeklommen waren en den langen duinweg vóór ons hadden, toen zagen we, hoe beneden ons alles wel drie meter hoog, in een ijzigen witten nevel gehuld was. De maan geheel omfloersd, alle omtrekken weggedoezeld, 't wasofjeineen reusachtige kom met melk en water stapte! En koud! nee maar, afschuwelijk koud. De mantels werden tot over de ooren opgetrokken, handen in de zakken gestoken, de tweeling, die bovendien bang bleken te zijn, hingen zich aan weerszij van mijn arm en trokken mij verschrik-

Sluiten