Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Scipio Massilia was de gevaarlijke expeditie begonnen, waarin hij met zijn bewonderenswaardige Provencaalsche onbezorgdheid zich had gewikkeld. Staande in den wagon, het halve lijf uit het portier gebogen, zwaaide hij met zijn hoed en zakdoek, uitroepende:

Vaartwel, kameraden, moge uwe gezondheid zoo goed blijven als de mijne. De duivel

voor allen, de goede God voor mij

Vaartwel!

Toen hij, buiten adem en opgewonden, het hoofd weer binnen het portier haalde, was Mexico nog maar een stipje aan den gezichteinder, en konden alleen de wisselwachters den trein zien voorbijsnellen, die den grooten man met zich voerde.

Zoo had dan Scipio Massilia zich begeven in het onbekende, dat hij gezworen had te zullen ontsluieren — maar hoe? En wanneer? > -

Te Aguascalientes maakte hij gebruik van de drie uren oponthoud, en begaf zich met zijn reisgezelschap naar een der nauwe valleien die de warme bronnen omringen, waaraan dat oord zijn naam en welvaren verschuldigd is. Daar wisselde hij twee revolverkogels met Joe Sullivan, met het gevolg, dat de Amerikaan zijn arm in een doek moest dragen. Hij zette vervolgens zijn reis voort naar Chilhuahua, alleen in gezelschap van den Senator Villagran, die door de achtereenvolgende miskansen van Joe Sullivan eenigszins verkoeld, zich minder op zijn gemak gevoelde met zijne houding jegens den Marseillaan.

Onderwijl de „Kampioen" in vliegende vaart naar het Noorden stoomde, was Sullivan in erbarmelijken toestand naar Aguascalientes teruggekeerd. Zijn lichamelijke kwetsuur was van weinig beteekenis, een kogel in het vleezig gedeelte «van den arm, maar de zedelijke wonde was van dieper peil. Hij had schandelijk de nederlaag geleden in behendigheid, moed en edelmoedighe!d, tegenover een vijand, dien hij met Yankee hooghartigheid onderschatte. Onnoodig erbij te voegen, dat door het bewustzijn hiervan zijn kregelig bulhondhumeur er niet op verbeterde, en wel zoodanig, dat hij behoefte had met Francis Gairon ruzie te zoeken.

Drommels, zei hij, dat is me een mooie grap, en lachen moet ik, als ik hoor praten van de gladhe'd der jagers uit het Verre Westen van Canada.

Niet meer dan anderen kunnen, die in de toekomst lezen.

Wat wil je daarmee zeggen?

Dat, toen ik me bij contract onder uw bevelen stelde, ik niet kon voorzien, dat mijn leven zich zou bevinden in handen van den man, van wien je spreekt, en dat hij mij zou sparen.

Je schijnt dus veel aan het leven te hechten?

Neen, meneer Sullivan. De man, die vele dagen slijt m de eenzaamheid, komt tot de

overtuiging, dat het leven een brooze zelfstandigheid is, die door een tochtwind wordt uitgeblazen als een kaars; maar bij slot van rekening heeft niemand te wenschen door den dood te worden aangegrepen, voordat zijn uur door het lot is bepaald. Daarom heeft men hem dank te weten, die iemands levensdraad niet afsnijdt.

Dan zult ge je niet meer keeren tegen dezen Marseillaan?

Pardon, ik heb een stuk geteekend, en tot aan de ommekomst van het jaar, dat wil zeggen nog gedurende acht maanden, ben ik u gehoorzaamheid verschuldigd. Onmogelijk valt het me voor het vervolg eraan te denken, den Franschman om het leven te brengen. Maar zoo ge er genoegen mee kunt nemen hem te doen opsluiten in een der forten aan de Amerikaansche grens, tot op den dag, dat het Eendrachtsnoer der IncasAzteken Sn uw bezit zal zijn, dan ben ik uw man, mij gelukkig achtend de verschillende plichten te kunnen nakomen, welke mij door de omstandigheden zijn opgelegd.

In de oogen van Joe Sullivan stond een kwalijk verholen spot te lezen.

En je zoudt de Mestiza je diensten aanbieden, om met haar het Indiaansch kleinood op te sporen?

Een wolk betrok het voorhoofd van den Canadees, maar met vaste stem antwoordde hij:

Ja, meneer Sullivan, want ons contract geeft u het recht dit van mij te eischen, en niets kan mij van mijn belofte ontslaan.

Welnu, meer verlang ik niiet, mijn brave Francis. Morgen vertrekken we van Aguascalientes. Wij zullen het zóó aanleggen, dat we vóór den belachelijken Marseillaan de landhoeve van San Vicente hebben bereikt. Tot ziens.

III.

DE HACIËNDA VAN SAN VICENTE. '

Ja, Senorita, de haciënda (heerenboerderij) 1 ligt bijna geheel in het district San Vicente, mijne landerijen beslaan een oppervlakte van vierduizend vierkante kilomeiers.

Vierhonderdduizend hectaren, senor.

Juist. Ik heb aan het werk vijfduizend landbouwers, ongeveer driehonderd koehoeders, driehonderd paardentemmers en tweehonderd vergaarders van de pulco der aloë. Al deze mannen, mijn gezin en mijn fortuin, zijn het grootsche werk toegedaan, dat door u op zoo waardige wijze wordt geïnspireerd.

De Mestiza stak hem de hand toe, welke hij eerbiedig aan zijn lippen bracht.

Het was'inderdaad het jonge meisje, dat een gesprek voerde met Fabian Rosales, haciendado (landheer) van San Vicente, een der rijkste en machtigste grondeigenaars van Mexico.

zij zich inpostuur zetten, toen in alle rich-

Sluiten