Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat is leelijk, zei Anina.

Dat zouden Mexicaansche zeelieden nooit doen, beweerde Vera, die erg patriotisch gezind was.

Maar Massilia hief den wijsvinger op. U moet den kapitein niet de schuld geven. Denk eens aan, ik was nagenoeg een uur onder water, en in de hitte van de vervolging ihad ik er niet eens aan gedach om adem te halen. Derhalve, mijne bloeiende schoonen, kon.de waardige zeeman wel niet anders denken, dan dat ik verdronken was. De verontschuldiging kon hij aanvoeren, dat men in het Noorden verdrinkt.

Verdrinkt men dan te Marseille niet?

Wel neen nooit. Het gebeurt wel

eens, dat een Marseillaan te water raakt, en

erin blijft Maar dan blijft hij erin, omdat

hij het er goed heeft, zie je. Hij verdrinkt niet, weet je. Ik moet zeggen, dat, toen ik me zoo geheel alleen voelde, onder in de Middellandsche Zee, ik mijn banden in den zak stak en het uitproestte van lachen.

Welk een moed! riepen de jonge meisjes in koor, nadat ze de opsnijding goedmoedig hadden geslikt. ,

Wel neen, mijne lieven, het is geen moed, het is enkel gezond verstand. Ik zei tot mezelf: een stoomboot is maar een machine, toch vindt hij het middel om de haven te bereiken; het zou al een vreemd iets zijn, als een Marseillaan, die een ziel heeft en begrip, dat ook niet zou kunnen. En ik begon kalm mijn slag te slaan, zoodat ik in 49 u. 37 min. en 6 seconden later in de oude haven van Marseille belandde.

Fabian Rosales zag zijn gast met een ongerustheid aan, die hij moeite had met zijn aangeboren beleefdheid te ontveinzen. Hij, evenals Krekel (verwittigd van de komst van den Marseillaan) zagen iets vreemds in de wijze van optreden van' den „Zuid-Amerikaanschen Kampioen".

Zeer zeker, men kan gekscheren en toch met een ernstige taak zich onledig houden, maar ten aanzien van een zwetser van de kracht van Scipio, mocht men zich afvragen of hij wel de geschikte hoédanigheden bezat, die vereischt werden voor de vervulling eener'zending, die hij op zich had genomen. Toen men dan ook van tafel opstond, richtte Fabian de vraag tot Dolora Pacheco:

Senorita Mestiza, stelt gij vertrouwen in dit personage?

Mijn volle vertrouwen, Senor. Hij is even kloekmoedig, even trouw als grappig, op zijn tijd.

Zijt gij daar zéker van?

Volkomen zeker. »

De hacendado schudde het hoofd.

Veroorlooft ge mij een proef te nemen?

Gij, die bereid zijt u op te offeren voor onze zaak, senor, hebt het recht diegenen op de proef te stellen, die haar dienen.

Fabian wenkte een zijner dienaren.

Breng mijn buffelkarabijn.

Een oogenblik daarna verscheen de bediende met het wapen.

Faban tikte Massilia op den schouder. Senor, zei hij, om te kunnen zwemmen, zooals u voorgeeft die kunst te verstaan, zult ge u lang moeten „getraineerd'' hebben.

Och, dat is me zoo vanzelf komen aanwaaien, als ik de visscherspinken zag zeilen!....

Maar dan hebt u andere soorten van sport toch moeten verzuimen.

Ande/e? Welke andere?

Schieten bijvoorbeeld.

Schieten komaan op honderd meters kan ik — de Marseillaan aarzelde

een oogenblik, want hij zocht een vergelijking, en toen-zegevierend — zou ik een mier in twee gelijke dealen snijden.

De onverbeterlijke grappenmaker kwam weer op dreef.

Krekel, de jeugdige Parijsche reiziger, had geen oog van Scipio af. hij amuseerde zich- met den onuitputtelijken humor van den Marseillaan.

Een mier in tweeën, herhaalde hij, ik dacht dat u een sterker stukje kondt uithalen.

Een sterker, riep de Zuidelijke Franschman, kent u iemand die iets beters kan dat dat?....

Dat zal waar zijn. Te Parijs hebben we scherpschutters, die een haar in vieren deelen.

Met deze aardigheid zou een Gasconjer zich beleedigd achten, maar te Marseille kan men beter scherts verdragen. Scipio barstte in lachen uit, klopte den jonkman vriendschappelijk op den schouder en op een niet weer te geven toon zei hij:

Ik heb het altijd wel gedacht, dat Parijs een voorstad was van Marseille, ja, en ik zie nu dat ik me niet bedrogen heb.

Op dit oogenblik richtte Rosales, die eenige seconden voortdurend in de lucht had gestaard, het woord tot den -Marseillaan.

Senor, het moment is gunstig om ons een staaltje van uw behendigheid te laten bewonderen.

Tot uw dienst.

U ziet in gindschen hoek een geweer. Boven onze hoofden zweeft een gier; als u dien nu neerlegt, spaart u het leven van een aantal van mijn pluimvee.

Reeds had Scipio het wapen gegrepen. Een vijftig of zestig meter in de met sterren bezaaide lucht, teekende zich tegen het donkerblauwe uitspansel een zwarte gedaante af.

O ja, die gier, zei de Marseillaan, wacht even, ik zal hem naar zijn gezondheid vragen. Met een snelle beweging schoudert de Franschman de buks, gunt zich nauwelijks den tijd om te mikken en geeft vuur. Op hetzelfde oogenblik daalt de rootvogel en valt voor de voeten van Massilia neer.

Sluiten