Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meneer overal vergezellen waar hij gaal of staat, en hem mijn trouw doen blijken onder alle omstandigheden. Ik ben er al meê begonnen.

Wat je zegt!

Ik heb al lang gezien, dat meneer iets van plan was, na het bezoek van dien Bell uit het fort Davis.

Ja. En?

Dat koopen van die zagen heeft me alles gezegd. Ik heb dan ook maar geen tijd laten verloren gaan. Onder het eten ben ik kleeren gaan koopen, om meneer te vermommen. Ik heb karabijnen, revolvers en dolken aangeschaft, om meneer en zijn trouwen dienaar te wapenen. Dat ligt allemaal opgeborgen bij een vriend van me, over het stafion. Als meneer nu met mij meegaat, zullen ze u niet kennen bij het instappen van den trein.

Je bent mijn man, mijn brave! riep Scipio. Ta, ta, de Noorderijken moeten oppassen, als ze tegenover ons staan. Ik en jij maken bijna anderhalvep Marseillaan.

De twee mannen versnelden hun schreden. Maar toen ze een dertig meters hadden afgelegd, zagen zij zich door twee wandelaars gevolgd. Deze droegen groote hoeden waarvan de breede randen hun gelaatstrekken verborgen; ze hadden hun plaids om het lijf geslagen en hielden Massilia met zijn metgezel scherp in het oog.

Wat gaat-ie daar in dat huis uitvoeren, Bell? vraagde Joe Sullivan, dien de lezer heeft herkend.

Hij zal zich gaan verkleeden, voordat hij in den trein stapt Hij heeft den bediende bij zich van majoor Coldjam.

Dit vermoeden was juist, want een oogenblik daarna kwam Massilia, geheel van gedaante verwisseld; te voorschijn, als een Illinois landheer, met karabijn, twee holsters met revolvers aan den gordel, vergezeld door Marius, eveneens van top tot teen gewapend, op weg naar het spoorweg-station.

Bell ging gelijktijdig met Marius naar het loket en nam na dezen twee plaatsen in den slaapwaggon naar Oklahoma, Indiaansch grondgebied.

Toen de trein voorkwam, Meten ze den Marseillaan met zijn volgeling eerst instap* pen, en kropen zij in een anderen wagen.

Het sein klonk. De trein zette zich in beweging en nam de vluchtelingen met hun vervolgers mede naar de eenzame, onbekende wildernis.

VII.

IN DEN PULLMAiNN-GAR.

Marius, zei de Marseillaan, zijn reisgeze'i in den vroegen ochtend aantreffend op een der tusschen-balcons, waardoor de wagens aan elkander zijn gekoppeld, — Marius, heb je geen bekenden op den trein aangetroffen?

Dat ik weet, neen, Meneer. Ik zal me met veroorloven meneer een vraag te doen, maar

u zult wel een reden hebben, mij zoo iets te vragen.

Wel twee, Marius.

Twee?

Ja, er is in den trein een man, die me ontwijkt.

Drommels! drommels! Toch geen politieman, hoop ik, dien men u nagezonden heeft?

Scipio knikte. Dat is het juist waarvoor ik beducht ben. Dezen morgen toen we te Salt-Sprtaigs even stilhielden, .liep ik tegen een reiziger aan. Ik dacht, toen hij iets mompelde, dat hij boos was, maar neen. Hij .wierp me zulk een snellen blak toe, dat ik geen tijd had om zijn gezicht op te nemen, en hij ging ook terstond heen. Maar toch wil het me voorkomen, dat ik die stem meer gehoord, en dien blik ook vroeger wel heb ontmoet.

Dat wordt nog bedenkelijker, murmelde' Marius zich achter het oor krabbend, een man, die meneer kende dan is het iemand voor wien de vermomming van meneer niets beteekent. Weet meneer het wel zeker?

Zeker ? ja en neen. Ik had er al niet

meer aan gedacht, toen ik, nu juist, den wagon hier achter me doorkomend, twee mannen in leuningstoelen zag zitten, heel verdiept in lectuur. De een zat met den rug naar den doorgang en verroerde zich niet; de ander trok zijn reispet met oorlappen diep over de oogen en spreidde de krant voor zich uit, zoodat ik niets van zijn gezicht kon zien, maar aan zijn kleeding zag ik toch, dat-ie dezelfde heer was als van'morgen.

Meneer had hem kunnen aanspreken.

Om hem tot antwoorden te noodzaken, dat is zoo. Maar ik dacht zoo, als ik een vijand voor heb, dan kon hem wel niets gemakkelijker vallen dan me bij den kraag te pakken in den trein, die met een duivelsche vaart voortsnelt

Meneer heeft er goed over gedacht.

Terwijl, als ik me houd alsof ik niets zie

Meneer met zijn trouwen Marius van de eerste halte zal kunnen gebruik maken, om

Op dit oogenblik kwam de neger, die den wagen bediende, waarin de beide reizigers hadden plaats genomen, voorbij loopen. Sci-pio hield hem staande:

Boy, je kunt tien dollars verdienen.

De dikke lippen van den zwarte openden Zich tot een verklaarden glimlach.

Gentleman, tik ben bereid die centen , op te steken.

Luister dan, duivel, en laten je mondkussens niet herhalen wat je ooren zullen hooren.

Zwarten roeren hun lippen niet ais ze verguld worden met goud.

Je bent een oolijke snaak, maar je bevalt me. Kijk dezen wagen eens goed aan. Daarin slapen "s nachts reizigers.

Ja, gentleman.

Je moet weten, dat ik correspondent ben van een dagblad, dat graag alles in de puntjes weet.

Sluiten