Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het plein is naar het Westen. Daar moeten zij de Mestiza zien op te sporen. En in draf snellen ze heen.

Ze komen tusschen bebouwde akkers. Maar na drie mijlen rit, houden deze op bij een boschaadje, waar een beek murmelt. Op dit punt neemt de Indiaansche woestenij een aanvang.

Onbezorgd als altijd, roept de Marseïlaan met luide stem: In galop, kameraad!

De rossen verstaan het foeyell en de twee ruiters snellen de prairie in, na de beschaafde iandstreek den rug te hebben toegekeerd.

VIII.

DE PRAIRIE.

Vier uren achtereenvolgens had het tweetal gereden, toen ze het noodig achtten, hun paarden eenige rust te gunnen. Onder de schaduw van een eenzamen boom, te midden der onafzienbare grasvlakte, werd halt gehouden, om tevens de brandende hitte der middagzon zooveel mogelijk te ontgaan.

Na een sober maal, besproeid vaal het wa. tér uit een nabijzijnde bron, onderzochten de reizigers den toestand hunner wapens en overlegden ze wat hun het allereerst door de noodzakelijkheid werd geboden, met het oog op het voorname doel van hun tocht door het groote Indiaansch gebied.

Meneer kan staat maken op hetgeen ik zeg, zei Marius. Ik ben in deze streken volkomen thuis en ken ze als mijn zak. Zij, die ge zoekt, zijn stroomopwaarts gegaan van den Rio Grande del Norte en hebben alstoen een plotsefingen izwenk gemaakt naar het Oosten, ten einde het grondgebied der Indianen te bereiken.

En daaruit besluit je?

Dat de Senorita Dolora Pacheco de route langs de Canadeesche zijde heeft genomen. Immers daardoor vermijdt ze het NoordAmerikaansch territoir, waar de militie van de Vereenigde Staten haar veel afbreuk kan doen.

Ik zou denken, dat je het aan het rechte eind hebt, Marius.

Dank u, meneer, voor uw goede opinie. .Ik moet meneer tevens erop attent maken, dat wij zooveel mogelijk de woeste streken dienen om té trekken, opdat we voortdurend ons van leeftocht kunnen voorzien. Voeling houden met bosschen en rivieren, daarop komt het voornamelijk aan.

Dat is een redeneering, die hout snijdt, Marius.

Wij moeten ook, zooveel doenlijk, maatregelen van voorzichtigheid in acht nemen tegen de roovers der wildernis, blanken zoowel als roodhuiden, die zich ook in de nabijheid van stroomen ophouden.'

Massilia haalde verachtelijk de schouders op.

Ik weet wel, dat meneer een dapper man

is, maar hij heeft ongelijk, als hij onze vijanden gering schat. Er bestaat geen moed, die een verraderlijken kogel, van achteren afgeschoten, kan afweren; er is geen dapperheid, die in een valstrik het niet aflegt.

Je wilt me toch niet bang maken?

Dat hoeft meneer niet te denken. Maar in de wildernis moet men op alles verdacht zijn. Het hooge gras verbergt een vijand; achter een ros wordt een karabijn op ons aangelegd; bij een boom staat een Indiaan, verscholen in het opgaand struikgewas; aan de bron ligt een roover op de loer, om den dorstigen ruiter af te wachten. De reiziger moet rechts, links, van voren en van achteren zien; en als hij alle voorzorgen heeft genomen, doet hij nog wijs, -zich te houden alsof hij niets bemerkt

Scipio begon belang te stellen in de schildering van dit tafereel.

Je weet zeker, dat ie niet overdrijft, Marius?

Lang zal het nliet duren, of meneer zal inzien, dat mijn voorstelling van het leven in de wildernis niet haalt bij de werkelijkheid.

Maar, vriend, wat je daar zegt is kostelijk, want ik begin te begrijpen, dat we ons in deze negorij niet zullen vervelen.

En zonder te letten op de verbaasde uitdrukking van Marius* gezicht, strekte de Marseillaan zich behagelijk uit op het lange gras.

Vóór vier uur, mijn brave, bestijgen we niet onze kleppers, want de hitte zou de dieren uitputten. We gaan wat slapen; misschien smelt ik onderwijl, maar ik zal toch zien dat ik, om dit te voorkomen, droom van de Noordeijke ijszee.

Scipio sloot de oogen. Weldra verried zijn regelmatige ademhaling, dat hij het bewustzijn van zijn omgeving had verloren.

Marius was op eenigen afstand gaan zitten; hij leunde tegen den stam van een gumrriiboom, hield zich onbewegelijk en vorschte ■ den gezichtseinder uit Lang bleef hij in die houding, alleen turende naar den blauwen hemel en de grauwe vlakte, die zich baadde in een schel, verblindend licht. De zon had haar middaghoogte overschreden en neigde ten ondergang.

We moeten onzen weg vervolgen, mompelde Marius opstaande. Maar deze beweging verruimde zijn gezichtskring, en plotseling overschaduwde hij met de hand zijn oogen. Een minuut nauwelijks tuurde hij in de verte, liep toen op Scipio aan, en schudde hem danig dooreen.

Hei, hei, hei! stamelde de Marseillaan, i zich de oogen wrijvend.

Meneer moet opstaan en de paarden zaL delen, zei Marius bedaard. Onderwijl zal ik 'de heeren, die ons op de hielen zitten, den weg afsnijden.

Die ons op de hielen zitten? vraagde Scipio verbluft.

Als eenig antwoord wees Marius naar het I Oosten, waar op een afstand van twee mij-

Sluiten