Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'De paarden der tochtgenc-oten waren gedrenkt en gevoed. In Vluggen draf ging het voorwaarts en weldra lag het Indiaansche dorp ver achter hen.

Zwijgend, nog onder den indruk van het vreemde avontuur, reden de pioniers naast elkander vort. Op een gegeven oogenblik bracht Marius zijn paard tot staan, sprong hij uit den zadel en bukte zidn naar den grond.

Wat is er nu weer? vraagde Scipio, door deze bewegingen uit zijn mijmeringen gewekt.

De Texasser reikte hem een veer toe, die hij had opgeraapt. Het was een arendsveer, waaraan eenige tanden van een verscheurend dier aan de schacht waren vastgehecht.

Scipio beschouwde het voorwerp aandachtig. Wat zou dit? zei hij. Een pen en wolfs» tanden?

Opperhoofden van Comanche-Indianen, die hiér iangs zijn gekomen, antwoordde Marius. Zij waren met hun tweeën. De Seminol is gastvrij, de ComancheJndïaan is een bandiet.

Ik wil het wel gelooven, hernam Scipio... maar twee Roodhuiden zullen ons toch niet bedenkelijk den doortocht betwisten.

'Men kan het niet weten. Dat ongedierte is van alle markten thuis. Misschien wachten ze ons op achter een rots, om ons weg te blazen, zoodra we onder schot zijn.

En voortsprekende, vervolgde Marius het lichte spoor, dat nog in het zand zichtbaar was.

Een oogenblik later zei hij: Ze hebben het toch niet op ons gemunt.

Scipio volgde zijn gids, zich verwonderend, tegen wil en dank, over de schranderheid van zijn bediende, een eigenschap, welke allen gemeen hebben die in de prariën hebben gekruist.

De nacht is ophanden, begon Marius andermaal, de nacht, die de hinderlagen en valstrikken van die vervloekte Indianen begunstigt. Het zal voorzichtig zijn, hier halt te houden en den dag af te wachten.

De noodzakelijkheid van het voorstel trol den Marseillaan. Reeds maakte hij aanstalten om van het paard te stijgen, toen in de verte een geweerschot knalde.

Het gevaar, door het instict van den Texasser gesignaleerd, sprong in het oog. De reizigers voelden hun hart sneller kloppen.

Niets is zoo onheilspellend als een schot in de eenzaamheid der prairie. De heldhaftigste maa kan een zekere ontroering niet verhelen, bij de gedachte dat hij alleen is op honderdduizenden mijlen afstand van 'bewoonde streken, verstoken van alle hulp, tegenover een onbekend gevaar. Een tweede losbarsting volgde Alweer een schot! bromde Scipio. Ais antwoord hierop bracht de wind hem hel geluid over van een derde, een vierde geweerschot.

Vreemd, zei de Texasser. Men zou zeggen, dat er gevuurd wordt op een tegenstander, die niet terugschiet. En dat zal wel zoo zijn, vervolgde hij, toen een nieuwe knal werd vernomen; dit is nu de derde maal dat het ééne geweer wordt afgeschoten. Het zal me benieuwen of het andere ook eèn woordje meespreekt....

'Hij had dït nauwelijks gezegd, of een doffe slag weerklonk andermaal.

Ze zijn daar met twee geweren bezig

Een jolige bak, om te kunnen zeggen met hoeveel vuurwapenen er op een afstand wordt geschoten, gekscheerde Scipio.

Meneer moet dat niet zeggen. Ik heb lang genoeg van mijn leven in de wildernis doorgebracht, om het geluid van het eene wapen te kunnen onderscheiden van het andere. Er zijn wel degelijk twee karabijnen in het spel— maar waarop oefenen zij zich? Dat moet ik eens gaan zien. Meneer zal me hier wel willen wachten?

Drommels neen, kerel! Ik ga met je, hoor. Wij hebben ook twee geweren. Ieder zijn' man, begrepen? Ze zouen jou met hun beiden gauw voor den kop hebben geblazen...

Ja— en de paarden dan?

■Maar vastbinden, vriend. Ze kunnen wat rusten. ?Op:'

En zonder verdere gedachtenwisselttig slopen de twee kameraden behoedzaam voort, onderwijl de schoten aanhoudend knalden.

Ik zou zeggen, dat ze schijfschieten, zei Scipio.

St! antwoordde Marius. Hier langs!

Ze kropen langs den grond, achter knotsige boomstammen schuilend en kwamen allengs aan den zoom van het woud. Achter; struikgewas zich opstellend, konden ze. op een vijftig pas twee mannen onderscheiden.

Comanche-Indianen! fluisterde Marius zijn patroon in het oor.

Ze fusilleeren dus de boomen? vraagde Scipio.

Neen, toch niet! Hun mikpunt is een Indiaan— kijk eens langs de boomenrij. Aan den vierden hebben ze een Semino! vastgebonden, drommels een opperhoofd

liefst, want op zijn scalp draagt hij drie roode veeren van den flamingo der moerassen.

'Hij zal wel dood zijn.

'Niet eens gekwetst.

Dan zijn het beunhazen in hun schieten.

Neen, neen, meneer; hij moet eerst een doodstrijd hebben van angst, voordat ze hem met een kogel het hoofd verbrijzelen. Dat addergebroed heeft een duivelschèh toeleg. Ze zullen vijftig-, honderdmaal op hun gevangene vuren en wel oppassen hem te raken. Meneer zal zich kunnen voorstellen wat iemand gevoelt, die, alvorens te sterven; eerst honderden malen den voorsmaak ervan moet hebben!.

Zonder verder iets te zeggen, legde Massilia op een der ComanBhes aan.

Marius volgde terstond dit voorbeeld. De

Sluiten