Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten. Oorlogsmarsch uit eerbied voor den Raad. Kampvuren, omdat nog niets van den vijand is te vreezen.

Ja, dat moest het wel zijn. De netheid der uiteenzetting van den Mayo trof alle aanwezigen.

Maar, Puma, vraagde Dolores, . vermoedt gij niet op welke tegenstanders de Apachen bet verzien hebben?

De Indiaan hief het hoofd op, en peinzend sprak hij:

Quien sabe (wie weet?), Donna Daar

ginds in het Oosten is het machtig verbond der Seminolen. Het telt duizenden krijgers, die strijden als blanken in gêsloten gelederen. Nooit zullen de Apachen een dergelijke macht aandurven'. Misschien bereiden die plunderaars een expeditie voor tegen een slechts verdedigd district. Wie weet? herhaalde hij schouderophalend. Als de wolf der prairie zijn leger verlaat, dorst hij naar bloed. De Apach is als die wolf. Er zullen roode plassen op den grond zijn en scalpen fladderen aan den zadelknop.

Ondanks deze sombere voorzeggingen zette de kleine troep haren tocht naar het Oosten voort. Nog gedurende acht dagen marcheerde men moeilijk door de wildernis. Want nu was op het doolhof van bergketens de vlakte gevolgd met het vergeelde, nagenoeg dorre gras.

Bij het minste zuchtje van den wind verhieven zich wolken van stof; het onzichtbare poeder, dat nakwam, drong in de neusgaten en den mond der reizigers, verdroogde de slijmvliezen en veroorzaakte menschen en dieren de marteling van een brandenden dorst.

Niemand echter uitte een klacht.

Dolora Pacheco, rechtop in den zadel zittend, schijnbaar onverschillig voor vermoeienis, den blik gestadig gerichf op het Oosten, alsof een onzichtbare magneet haar van die zijde aantrok, de Maagd van Mexico sleepte haar tcchtgenooten door haar voorbeeld mede.

Krekel en Rosales bewezen Coëllo oplettendheden, waarover niemand zich verwonderde. De gewaande bediende vond bij de haltes altijd een hut van gevlochten takken, het werk der Mayos, die der karavaan steeds als verkenners werden vooruitgezonden.

Overigens betoonde de aanvallige Vera zich als een goedig meisje. Een weinig was ze vermagerd. Haar tenger gezichtje had den gloed ondergaan der zon, doch haar rozenlippen glimlachten voortdurend en Fabian Rosales was trotsoh op zijn kind.

Het dappere meisje, zei de hacendado nu en dan tot Krekel Hoe dikwerf bekruipt mij de lust, haar in mijn armen te drukken.

Doe dat niet, vermaande de Parijzenaar. Een gedeelte van haren mond heeft ze aan haar vermomming te danken. Zoo ge haar zegt, dat ieder van ons gezelschap hare in-

dentiteit kent, dan gevoelt zij zich vrouw en zal haar kordaatheid erbij inschieten.

En Donna Pacheco

O! wat die betreft, senor, die is een uitzondering op den algemeenen regel. Een jong meisje, dat haar leven wijdt aan de bevrijding van een volk, is een heldin in den waren zin van het woord.

Qij bewondert haar dus innig?

Ja, senor, ik houd het met de Indianen, die haar niet noemen de Donna, maar de „Madonna" van Mexico.

Edoch, lederen dag namen de gezichten een sohmberder uitdrukking aan. Talrijke teekenen wezen erop, dat bij de gevaren van den kant der Indianen zich ook bezwaren zouden voegen van natuurlijken aard.

De Mayos, die den verkenningsdienst waarnamen, vermeldden tallooze sporen van Roodhuiden in de wildernis.

Qeheele horden van inboorlingen hadden, dikwerf met slechts enkele tusschenpoozen, wegen gevolgd, die evenwijdig liepen met de richting, welke de karavaan der Mestiza had genomen.

En zonderling genoeg, een raadsel, waarvan allen tevergeefs de oplossing zochten, de beheerschers van de prairie richtten zonder uitzondering koers naar het Oosten.

En dan stuitten ze op eigenaardige vondsten. Een patronengordel der Amerikaansche militie; een lederen zak, gevuld met dollars; gebroken flesschen, die whisky hadden ingehouden.

Als men haar deze voorwerpen liet zien, fronste Dolora de wenkbrauwen. Eindelijk, op zekeren morgen, dat de nachtmarsch ten einde was, riep ze haar tochtgenooten samen.

Vrienden; zei ze, we moeten krijgsraad houden. Opperhoofd Puma, spreek het eerst. Wat dunkt u van de voorweroen, dié door uw krijgers van den grond zijn opgeraapt?

De Indiaan bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, en zei toen langzaam:

Patronengordel, geld, vuurwaterflesschen?

Ja.

Apachen en Comanchen hebben hun jachtterrein verlaten. Vroeger altijd vijanden, zij schijnen verzoend.

Inderdaad.

En zij hebben dranken, geld, werktuigen der blanken, zij vluchten niet naar de wilde vlakten, waar men hen niet kan achterhalen. Zij hebben die dingen, dus niet gestolen.

Dolora knikte toestemmend.

Zoo niet gestolen is het hun dus gegeven. Blanken hebben vriendschapsgeschenken uitgedeeld onder de roode mannen. De roode mannen zijn gesneld naar het Oosten, naar het land tegenover het terrein, dat zij doorgaans afloopen.

Wil je daarmee zeggen, dat ze door de Amerikaansche gezaghebbers zijn aangeworven? vraagde Francis Gairon, die met

Sluiten