Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ieder gezin graaft zich een leger,' waarvan de ingang wordt aangeduid door een verhevenheid van den grond. Deze onderaardsche verblijven beslaan dikwerf groote ruimten, en zijn gevaarlijk voor ruiters, want de oppervlakte der prairie, die tallooze mijngangen overdekt, zakt vaak onder de hoeven der paarden weg.

Overal kwamen de prairiehonden te voorschijn. Op hun achterste gezeten, zagen ze de jagers aankomen, doch op hunne nadering kropen ze terstond in hun holen.

Francis en zijn metgezel, aan dergelijke vertooningen in de woestijn gewoon, schonken geen aandacht aan de dieren. Het spoor der Indianen, dat zigzagsgewijs zich slingerde tusschen de verheffing van den grond, hield alleen hun aandacht bezig.

Drommels, zei Peter eensklaps, zien we daarginds niet de meren, die Lagunas Salinas heet en?

Waarvan het water even zout is als de oceaan, hernam Gairon. Ja, dat zijn ze, ik wist, dat we in de nabijheid ervan waren, na dezen afstand van den Rio Pecos te hebben doorloopen.

Dan opgepast,\ want de Indianen, die we nazitten, hebben zeker aan den oever der zoutmeren halte gemaakt, om er te blijven totdat de groote hitte voorbij is.

Och! de Roodhuiden storen, zich niet aan de zonnewarmte.

Dat zeggen ze, patroon, dat zeggen ze. Maar als ze weten, dat geen blanken hen op de hielen zitten, schuilen ze graag in de schaduw.

Francis scheen deze zienswijze te deelen, want de kruin der hoogte bereikt hebbende, sloop hij langzaam voort, kroop vervolgens op de knieën en zag naar beneden.

Vlak voor hen uit, tusschen de ruimte eener boomenrij, aan de boorden van een zilvergrijs meer, lagen een twintigtal Indiaansche krijgers te sluimeren in de zwoelte van het brandend middaguur.

Comanchen, fluisterde Peter.

Dit was zoo. Naar de versierselen hunner mantels, het dragen van hun scalp, kon men de woeste prairiebewoners niet verwarren met de krijgers van een anderen stam.

Op honderd schreden ongeveer van het kamp, stond een schildwacht, leunende op zijn geweer, van zijn rasgenooten door eeiiig struikgewas gescheiden.

Voorzeker, de Roodhuiden waanden zich veilig voor iedere verrassing. Hunne rust, de achtelooze houding van hun schildwacht bewezen het duidelijk. Een oogenblik wisselden de jagers geen woord .

Eindelijk sloeg Gairon zijn karabijn aan, en met vaste doordringende stem zei hij:

Zoo ik me bedrieg, moge de hemelsche barmhartigheid mij bijstaan, want ik meen goed te doen, in haar belang, het mijne blijft er buiten.

Peter bracht, zonder een woord te spreken, zijn wapen in gereedheid.

Deze twee mannen, die door godsdienstigen eerbied voor het gegeven woord gedreven, van den haat op zich gingen laden der wreedste vijanden van het blanke ras, waren helden in hun wilden waan.

Langzaam legde Francis aan. Geen siddering doorhuiverde zijn athletische gestalte. Hij, die een oogenblik te voren scheen te bezwijken onder zedelijke wroeging, vond zijn kostbare hoedanigheden terug van koelbloedigheid en vastberadenheid in het oogenblik van lichamelijk gevaar.

Het schot viel, het rolde over de vlakte, door de echo's weerkaatst, en de Comansche schildwacht, vlak in het voorhoofd getroffen, sloeg met een smak neer tegen den grond.

Op het vernemen van den knal, waren alle Roodhuiden opgesprongen.

Maar een tweede losbarsting volgde en een der krijgers stortte döodeiijk getroffen neeh. Op hetzelfde oogenblik vertoonden zich. de jagers op de hoogte van het geaccidenteerd' terrein. Hunne handen opheffend stieten ze met vreemdsoortige stembuiging een langen kreet uit.

Volgens gebruik in de Prairie maakten zij zich aan hun tegenstanders bekend door hun oorlogskreet:

Vasthand! De schaduw! —

Deze namen werden door de Indianen van mond tot mond, als een wachtwoord herhaald. En als een zwerm vogels, door het geweerschot van den jager opgeschrikt, stoven de Comanchen in het struikgewas en verdwenen ze, hun dooden achterlatende op het terrein.

Keeren we naar het kamp terug, zei Francis. Het roode gespuis volgt thans ons spoor.

De dag was reeds ^ver gevorderd, toen zij zich bij hun kameraden weer aansloten. De karavaan maakte reeds toebereidselen om het bivak op te-breken.

Wel, vrienden? vraagde Dolora.

Met moeite antwoorde Francis: Wij hebben niets gezien!

II.

HET ZWARTE MEER.

Halverwege tusschen de Lagunas Salinas en de Canadeesche rivier ontwaart het oog van' den zwerver een stilsiaanden poel, de Aqua Negra, het Zwarte Meer.

Besloten in een omheining van bazaitrotsen, zou men wanen dat reuzen, dezen kom van donker water heben gegraven.

Alles in den omtrek is eenzaam en somber, een verlaten1 woesteniji; Onwillekeurig, als men-bij dezen donkeren hoek staat, met zijn zware rotsen, zijn meer van inktkleur, droomt men van lugubere drama's, van infernale legenden.

Daar was het, dat na vijf dagmarsohen,

Sluiten