Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kleine troepje vani Dolora Pacheco het kamp 'had opgeslagen.

Zij hadden daarvoor een verhevenheid gekozen, die de westelijke rots een dertigtal nieters beheerschte. Dit plateau 'kon slechts langs een smal pad worden bereikt.

Tevergeefs hebben de Mestiza, zoomede het Mayo Opperhoofd deze voorzorg nutteloos verklaard, want geen teeken van gevaar was aan den gezichteinder te bespeuren: Francis Gairon evenwel had erop aangedrongen, en zijn haan had 'koning gekraaid.

Ja zeker! de jager heeft 'berekeningen gemaakt, die door de uitkomsten' als juist zijn bewezen.

De Comanchen, redeneerde hij, die door Peter en mij zijn aangevallen, hebben zonder twijfel ons spoor gevolgd. Ten getale van achttien personen, hun' dooden afschrijvend, hebben ze ons bivak van zeventien personen niet durven aantasten. Zij hebben zich verwijderd om versterking te halen.

En voorzichtig in zijn vermetel ondernemen', zeer bezorgd om Dolora te verdedigen, na het gevaar op haar te hebben losgelaten, heeft Francis de reizigers gehaast om dit 'afgelegen oord te bereiken. Hij kent het Zwarte Meer; sedert lang, tijdens zijn zwerftochten, heeft hij de ligging opgenomen van het terrein. De plaatselijke gesteldheid van de streek is in zijn geheugen gegrift. Men kan het nooit weten men staat ieder oogenblik aan een verrassing van Roodhuiden bloot; het is dus zaak om iets te bedenken,

ten einde hen te kunnen weerstaan zóó

een strategisch punt te bezetten, 'dat twee mannen desnoods een legermacht vermogen in bedwang te houden.

De voorzorgsmaatregelen komenhem nu te stade. Op de hoogte haalt hij ruimer adem. De Comanchen mogen nu komen, hij zal ze waardig ontvangen'. Ja, ze zullen het kamp blokkeeren. Wat nood! Maanden kunnen we het hier houden. Water in overvloed — water, dat alleen een schijnbare zwarte kleur heeft door de zwarte rotsachtige omgeving — ruime hoeveelheid van 'levensmiddelen, Want na het opraken der eetwaren waarmede de muilezels zijn beladen, verorberen we, als het moet, de ezels en de paarden na hen.

Het eenige wat den Canadees onrust baart, is dat de Indianen te laat komen op de plaats van samenkomst, die hij hun stilzwijgend heeft bepaald. De karavaan moet de schuilplaats niet verlaten, waarheen het hem gelukt is haar te geleiden'. Eenmaal buiten deze onneembare positie, eenmaal in de vlakte, die zich uitstrekt tot de Canadeesche rivier, zou ze een gemakkelijke prooi zijn voor de roevers der prairie.

Francis Gairon luistert met beklemd gemoed naar de gesprekken zijner metgezellen, die in hun tenten van gedachten wisselen, alvorens de dagelijksche siësta te genieten.

Om vier uur, allen in het zadel. Binnen

zes dagen, hoogstens acht, komen we op bet grondgebied der Seminool Indianen.

Francis huivert bij het vernemen van deze taal. Hij verbeidt het oogenblik dat de slaap het stilzwijgen in het kamp zal brengen. Twee uur het is zijn beurt om de

wacht te betrekken: Hij zal post vatten op den rand van het bovenste plateau.

Twintig minuten, hij blijft onbewegelijk als een standbeeld, turend over de vlakte, en Iaat vervolgens zijn blik dwalen over het kamp. De bolvormige tenten zijn als witte sneeuw onder de stralen der zon, geen zuchtje zweeft door de zwarte atmosfeer, die als uit een heeten oven schijnt te komen.

Blanken, Creolen en Mayos, door deze stekkende temperatuur bedwongen, liggen in diepen slaap.

Alstoen nadert de Canadees 'die paarden, de muildieren, die aan het-uiteinde van het nauwe plateau grazen. Onmerkbaar schrijdt hij voort. Zoo iemand hem gadesloeg, zou hij zijn verplaatsing niet bemerken, zoo langzaam is zijn gang, zoo behoedzaam verandert hij telkens van plaats.

Hij is nu bij de dieren. Ze liggen uitgestrekt, eveneens door de hitte bevangen. Het een na het ander richt zich met moeite op, om te gaan drinken' in de holte van den rots, door de Mayos met water gevuld. Die rots is het doel van den jager. Hij is ze genaderd.

Uit zijn zakken haalt hij een witte stof te voorschijn, die hij strooit in het water, dat na de bestuiving oogenblikkelijk weer helder wordt en1 doorschijnend.

Een zucht van verlichting ontsnapt hem:

Het gedroogde merg van de liane zal het vertrek der karavaan verhinderen, mompelt Francis. Daarmee is een dag gewonnen. Als het noodig is, nemen we dit middel morgen weer te baat.

En met dezelfde voorzorg begeeft hij zich weer naar zijn post.

Nu had hij zijn oogen niet meer van de viervoeters af. De hevigste hitte is voorbij, de zon neigt ter kim en werpt meer slagschaduwen af. De dieren sohijnen te herleven. Verscheidene gaan drinken. Francis telt ze met toenemende voldoening:

Drie, zeven, acht, tien veertien

alles gaat goed We zullen hier den

nacht doorbrengen— Als de ondieren van Comanchen nu maar kwamen! Wat voert dat vee toch uit? Anders zijn ze er zoo vlug bij. f

Hij werpt een angstigen blik op de prairie. Nooit was een minnaar er zoo op gebrand, zijn meisje te zien verschijnen dan de Canadees met innig verlangen zijn roode vijanden verbeidt.

Maar de tenten komen in beweging. Een verward gemompel van stemmen duidt aan, dat de karavaan ontwaakt. . Puma! roept de Madonna van Mexico.

De Mayo komt aangesneld. Vóór den ingang der Mestiza wacht hij zijn orders.

/

Sluiten