Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liegen aisof het gedrukt is. Toch was ik bang, dat ons verzinsel, hoe vernuftig het ook is uitgedacht, haar verdacht moet voorkomen.

Ze stelt vertrouwen in mij, in ons. En toch bedriegen we het edelste der mensohenkinderen. Zou het maar niet beter zijn, zich voor het hoofd te schieten?

Drommels, zei Peter, dat zal nu moeilijk gaan.

Waarom?....

Wel, zonder kop kun je toch niet hier afdalen, om naar de Seminolen te kruipen. En je hebt haar dit toch beloofd.

Tegen dit argument viel niets in te brengen. De dag verliep als de overige. Fabian Rosales, de gewaande Coëllo. Krekel, de Puma en zijn Mayos zwierven met het air van menschen die zich vervelen, over het plateau en braakten nu en dan. in machtelooze woede, verwenschingen uit tegen de belegeraars der benauwde veste. Maar de tijd van handelen was gekomen.

De nacht brak aan. Het kamp lag weldra onder den zwart-blauwen met sterren bezaaiden hemel, in diepe rust. Alleen twee Mayos waakten en stonden als standbeelden aan de uiteinden voor het plateau op post.

Toen slopen Francis en Peter onmerkbaar uit hun tent. Op handen en knieën kruipend, bereikten ze de kruin der rots. Dolora was hu» reeds voorgegaan. Zonder een woord te spreken, ontrolden de Canadeezen hun zijden gordels en knoopten zij deze stof, die eenige meters lengte had, aan elkaar. Methodisch slingerde Peter een der uiteinden om een rotspunt, overtuigde zich door een krachtigen ruk, dat het steunpunt voldoende was om de afdaling te kunnen doorstaan, en zich tot zijn vriend wendend:

Al klaar, patroon.

Francis boog zich voorover en maakte zich gereed af te zakken. De Mestiza naderde hem, stak hem beide handen toe, en zei:

Heb dank voor uw pogen. De hoop der volken rust op u. Ga, en de hemel zij met u!

Zij bedwong hare ontroering over den man, die zijn leven op één worp zette, maar met haar aandoening verried de toon harer stem een indrukwekkend gezag. De Canadeezen voelden het, met innigen eerbied bo^ gen ze onder deze zegening het hoofd.

Geen woord werd meer gesproken. Handig greep Gairon den gordel aan en liet hij zich van den rand der steilte afglijden. De Mestiza en Peter lagen over de helling. Nog een seconde, en zij zagen de schaduw van den jager, zich bewegen in de duisternis, toen werd de gedaante vaag en onbestemd, zij scheen zich op te lossen in den nevel.

Met gespannen aandacht, met ingehouden adem, vertoefden ze daar, sidderend voor de mogelijkheid, dat een kreet, een schot, hun zou verkonden dat de boodschapper was ontdekt.

Maar indrukwekkende stilte heerschte in

den hemelschen nacht. Een oogenblik, het is waar, meenden de bespieders een gesmoorden zucht te hooren, maar hij werd niet herhaald, en na bang verwijl op de plaats zochten het jonge meisje en Peter hun tenten weer op.

Francis Gairon had onderwijl het smalle pad, of liever de kroonlijst der rots, van eèn paar handbreedten, bereikt. Met zijn karabijn in den riem, zijn hartsvanger in de rechterhand, zette hij vasten voet langs den rotsmuur. Rondom hem was het donkere nacht. Beneden gaf het gekabbel van het meer hem te kennen, dat de afgrond onder zijn voeten gaapte.

Dat is een aardige karwei, die ik mezelven hem opgelegd, murmelde hij.

Voet voor voet, met de borst tegen den rotswand gedrukt, begon hij zijn gevaarlijken tocht. Na eenige meters te hebben afgelegd, ging het gemakkelijker, want het pad werd allengs breeder.

De nacht verbergt me nog, zei hij, maar belet me niet te zien. De kans is groot, dat ik een rooden wachter in de armen val.

Een half uur, dat hem een eeuw toescheen, verliep. Daar doemde een donkere steenmassa voor hem op.

De rotsblokken van den Noordelijken doorgang, zei hij. Opgepast. Deze engte wordt bewaakt.

Met moeite werkte hij zich door de rotsklompen, die daar opeengestapeld lagen, voordat hij vaste» grond onder de voeten voelde. En plotseling bleef hij onbeweeglijk stilstaan.

Op twee meters vóór hem uit, het paard een weinig achter hem vastgebonden, stond een Indiaan, leunende op zijn lans, liefst dwars in den nauwen weg, die van het Zwarte Dal toegang geeft tot de prairie.

Die Roodhuid scheen geen wantrouwen te koesteren. Hoe zou hij ook op dit punt een aanval kunnen verwachten? Daarom neuriede hij langzaam en zachtjes het liedje van de Squaw, en zou al de coupletten erva» ten beste hebben gegeven, zoo de Canadees niet op het onverwachtst aan de tergende melodie met zijn hartsvanger een einde had gemaakt. Daarop nam hij den mantel van den Indiaan, scheurde hef kleedingstuk van elkaar en omwond daarmee de hoeven van diens paard;

Dat is een buitenkansje, een paard op den koop! prevelde Francis. Daarmeê kunnen we beenen maken!

Het ros liet zich gewillig leiden door de nauwe engte, en zonder eenigen hinderpaal bereikte Francis de open vlakte. Een triwafkreet ontsnapte hem onwillekeurig. Het moei"lijkste gedeelte van den tocht was volbracht. VrooHjk sprong hij in den zadel, en in gestrekten draf ging het over de Prairie.

Na vier dagmarschen kwam hij aan de Canadeesche rivier. De vijfde was nog niet ten einde, toen hij 'het Seminolendorp Wheelei

Sluiten