Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rooden Gier was gesmeed; zouden zij aan hem ten uitvoer brengen; verraderlijk wilden ze hem overvallen en vermoorden, om later te kunnen zeggen, dat gü het verlangen van zijnen stam niet te weten waren gekomen en dus volkomen vrijheid hadden om het kleine troepje der Mexicaansche Maagd om hals te brengen.

Men weet hoe de Voorzienigheid hun ontwerpen wist te verijdelen; men heeft gezien hoe Scipio Massilia en diens tochtgenoot Marius den Bison en de Panterkat neerlegden, nadat dezen Vuurhart aan een boom hadden vastgebonden, om hem den dood der verschrikking te doen sterven.

Opnieuw werden de Mestiza en haar escorte belegerd. Door een toeval waren ze van de handgreep, die de Roode Gier op hen toepaste, onderricht geworden. Coëlto, of liever Vera Rosales, die eene afdaling naar het Zwarte Meer had beproefd, bemerkte de aanwezigheid der Indianen en had zich gehaast zijn gezelschap ervan te verwittigen.

De Apachen, die hun slachtoffers onverhoeds dachten- te overvallen, werden1 met een moorddadig geweervuur ontvangen. Doch het laatste oogenblik was nabij, weldra zou het den belegerden aan ammunitie ontbreken. ViW patlronen per hoofd bleven1 nauwelijksovec. Nog één bestorming der Roodhuiden, en de belegerden zouden zich met het blanke wapen moeten verdedigen, een tegen honderd, de strijd der wanhoop.

Francis Gairon en Peter, op steenblokken gezeten, verwijderd van hun lotgenooten, beraadslaagden onderling.

De Roodte duivels kennen onze positie, zei Francis. Zie hen eens op de vlakte, ze doen geen moeite 'Om zich verdekt op te stellen; ze weten, dat we met onze laatste patronen zuinig moeten zijn.

Ooed, ik ben niet blind en zie het even goed als u, meester.

Ja, ja, de raven van de wildernis ruiken het aas. Nog een paar schoten en onze karabijnen staan gelijk met den waaier tusschen de vingers eener vrouw. En dan, vervolgde hij met gesmoorde stem, kunnen wij Dolora niet meer verdedigen; als krijgers, dezen naam Onwaardig, zullen we den Indianen den schat moeten overlaten, die ons in bewaring is gegeven. Zij, hun gevangene; zij, van halte tot halte meegesleept tot de legerplaats der

Noordelijken; zij, bespot en gehoond de

hoop van een volk overgegeven aan den spotlust der soldaten Oh! dat alles is mijn

schuld! Als lafaard en verrader, heb ik haar Hl dezen valstrik gelokt. Ik voel me gedrongen alles aan onze makkers te bekennen, hen te smeeken recht te döen.

Maar waartoe zou dat nu dienen? zei Peter, zijn arm slaande om den hals van den patroon. Bekennen staat gelijk met de Donna te berooven van een verdediger. Het eenigste wat me nuttig voorkomt, is haar te beschermen tot in den dood.

Tot in den dood! herhaalde Francis. En als een bliksemstraal schoot het hem ie binnen: den belegeraars lajleen lijken laten om te scalpeeren?

Ja, dat meen ik ook.

De dood schijnt je dus de eenigste uitweg voor ons allen? Je zoudt denken, dat het voor de Mestiza beter 'is, door een kogel te worden getroffen dan in de handen te vallen van den vijand?

Liever de dood dan een schandelijke gevangenschap, bevestigde Peter.

Ik dank je, kameraad, ze zal dus sterven!

Dit zeggende, ontblootte Francis het hoofd', en de oogen ten hemel geslagen, scheen hij verloren in een plechtige samenspraak met den Oneindige. Het was alsof hij de tusschenkomst inriep van den Oppersten Rechter. Hij duizelde, tot krankzinnig wordens toe. De strenge inachtneming van het gegeven woord had hem geleid tot verraad. Als slaafsch dienaar van de eer, stond hij aan den afgrond der eerloosheid. In zijn bekrompen hersens van een man, die enkel meeleefde met de natuur, ontketende deze gewaarwording een storm in zijn binnenste, vielen al zijn verwachtingen in duigen. Waarop nu voortaan te vertrouwen, omdat het kwaad ontsproot uit het goede, de valschheid uit loyautett, de laagheid uit zielenadel — dit bleek hier toch zonneklaar.

Maar de hemel bleef onbeweeglijk voor de menschelijke marteling. De sterren schitterden in al hun luister 'boven de hoofden dezer beklagenswaardige groep op het plateau der rots van1 het Zwarte Dal.

Op twintig pa's afstand van de Canadeezen, achter rotsblokken verscholen, sloegen senor Rosales en de Parijzenaar Krekel de omstreken onrustig gade.

Van tijd tot tijd wendde de hacedado zijn blikken naar een gedaante, die in volle lengte niet ver van hen op den grond lag uitgestrekt. Een, droevige uitdrukking verscheen alsdan op zijn gelaat. De slaper, of liever de slaapster was Vera, in wie Fabian, met kiesche terughoudendheid als vader, slechts dendienaar Coëllo had willen zien.

Krekel bemerkte watt er omging in het 'hart van zijn landgenoot:

Zij slaapt, zei hij zachtjes. Des te beter. Zoo vergeet ze onze netelige positie.

De hacendado haalde de schouders op.

Welk nut heeft hier vergetelheid? Wend ze het ongeluk af? Neen, neen, de vergetelheid, door de ouden tot eene godheid verheven, is een valsch godin. Zij bestaat niet. De herinnering verwijdert zich 'een poos, maar verdwijnt nooit geheel. En prevelend', als fn zichzelf sprekend:

Heb ik de 'herinnering verloren aan mijne in Frankrijk overleden gade en aan den zoon, die aan de ongelukkige moeder werd ontstolen?

- Hij greep Krekel bij den arm, en op bijna ruwen toon sprak hij: Luister, gij heer Parijzenaar. Binnen eeni-

Sluiten