Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vingers. In gedachten verdiept, beschouwt hij ze. Eindelijk schuift hij ze hoofdschuddend in den loop van zijn geweer.

Maar hij legt niet aan.

Hij beeft de kolf afgezet op den grond en ziet de mensohenzee aanrollen, voortdurend aanrollen.

Eén voor één zwijgen de vuurwapenen der belegerden. De paironenvoorraad is uitgeput.

De aanvallers hebben dit bemerkt. In woester vaart dan tevoren, onder zegevierend gebrul, stormen- ze voorwaarts, een geluid- dat herinnert aan het geroep dier reuzengieren, die hoog zweven in de lucht bij het krieken van den dageraad.

De belegerden wisselen een blik, het stom vaarwel van hen die weten, dat zij ten doode zijn opgeschreven. Aan het einde van den loop der karabijn schroeven zij lange messen, de bajonetten der prairie.

De strijd met het blanke wapen, de finale wanhopige worsteling, waarbij men vecht — niet om te overwinnen, maar om gewroken te sterven — !s nabij.

Op een afstand van nauwelijks vijfentwintig schreden zijn de tegenstanders van elkaar verwijderd.

De Roodhuiden schreeuwen, tieren, brullen, blaffen en sissen. Een helsch lawaai.

Nog een sprong. Ze staan op de borstwering.

Lansen en bajonetten klikklakken met trillenden metalen klank. Het bloed spat links en rechts, het is moord en slachting, een algemeen gegl van wanhoop en doodsgerochel.

De belegerden deinzen achteruit.

Maar nog verdedigen zij zich. Nauw aaneengesloten, vormen zij een kleinen 'kring, waaruit de bajonetten dreigend zich verheffen. Het is een rotonde, die front maakt naar alle zijden.

Francis en Peter willen zich bij hen aansluiten, — de eerste blijft eensklaps staan en uit een hartverscheurenden kreet

In de verwarring en het oorverdoovend rumoer is Dölora Pacheco van haar metgezellen gescheiden. Zij staat alleen, ongewapend, door Vijanden omringd. Dreigend verheffen zich de tomahawks boven haar fiere hoofd.

Zal ze daar sterven, onder de oogen der Canadeezen, die machteloos zijn' om haar te verdedigen?

Neen, een soort roode kolos springt óp haar toe. Het is Roode Gier, die haar heek herkend, voor Wie hij roekeloos het bloed zijner krijgers heeft geofferd.

Zij uit een kreet van ontzetting, een wanhopig beroep op een onmogelijike hulp. Maar het Indiaansch opperhoofd grijpt haar onmeedoogend aan. Hij neemt haar in zijn armen, en ontvoert haar, aan zijn krijgers de zorg overlatende om het bloedbad te voltooien.

Hij loopt alsof hij haast heeft, zijn kostbare vracht in veiligheid te brengen. Het is een schat, dien hij heeft buit gemaakt, want de Noordelijken zullen hem wapenen geven, pa¬

tronen en vuurwater, ter uitwisseling van zijn gevangene.

Onder een gesmoor den kreet, alsof het hart hem wilde breken, is Francis Gairon toegesneld, om den roover zijn prooi' te ontrukken..

Maar de saamgedrongen massa der Indianen werpt zich op als een dam, om hem den doortocht te beletten. Tevergeefs steekt en slaat hij en' velt de Roodhuiden neer in zijn onmiddellijke nabijheid'. Peter geeft hem niets .toe in het bloedig werk. De menschenval is te dik van omvang, te talrijk is de vijand'. Francis kan den doortocht niet forceeren.

De Roode Gier heeft het uiteinde van het plateau bereikt Hij zal de helling afdalen en verdwijnen met zijn buit

Het gelaat van den Canadees is stuipachtig verwrongen, verwilderd staan zijn oogen.

Ik heb haar in deze hinderlaag gelokt, de valstrik is door mij gespannen. Ik moet haar den dood geven boven oniteering!

Met zijn karabijn omschrijft hij een vreeeelijken zwaar, verbrijzelt schedels, ontwringt hij zich voor een oogenblik aan de brullende bende die hem heeft besprongen.

Eu recht overeind, te midden zijner verbaasde vijanden, boven wie hij uitsteekt met zijn reuzengestalte, legt hij ijlings aan. Een losbranding de Canadees heeft zijn laatste patroon verschoten.

Maar niet tevergeefs heeft hij aangelegd. De kogel- heeft twee menschen getroffen. De Roode Gier en diens slachtoffer rollen over den grond, met een gulpbloeds, die uit beider lichaam vloeit.

En met een vreeselijken kreet, terwijl hij den toestand over het hoofd ziet den dood niet achtend, die hem van alle kanten aangrijnst, laat Gairon zijn wapen' los, zinkt hij op de knieën met den uitroep:

Ik heb haar gedood! Ik heb haar gedood!

Bewusteloos zakt hij ineen.

Maar alsof zijn val een afgesproken teeken ware geweest barst plotseling een goed' onderhouden geweervuur los. Als een hagelslag storten de kogels op de Roodhuiden neer.

In wilde vlucht, onder angstig geschreeuw, kiezei; dezen het hazenpad, de helft hunner rasgenooten op het terrein achterlatend1, en een vrooJijke, klankrijke stem weerklinkt in; ae lucht:

Ta ta. ta! mijn waarden, je kunt toch niet zeggen dat de Marseillaan gierig is, ie krijgt suikerballen van hem, van nummer één.

Scipio Massilia was op het terrein verschenen, hij kwam op het juiste oogenblik, als redder in den nood. •

Achter hem aan galoppeeren zijn getrouw*, Maitus. Vuurhart en de afdeeling Seminok», door het jeugdig opperhoofd aangeworven tot ct.tzel van de Mexicaansche Maagd.

Sluiten