Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

SCIPIO MASSILIA VERBERGT ZIJN VERMOEDENS, OM ACHTER DE WAARHEID TE KOMEN.

En Donna Dolora, doctor?

Batten gevaar. Eer veertien dagen zijn verloopen, kan ze haren tocht hervatten.

Mooi zoo, dat is een steen van het hart, mijn waarde doctor, want het arme vrouwtje.... ziet u, geen sikkepitje zou ik voor

haar leven hebben gegeven de kogel had

haar door en door getroffen, de borst ingegaan en door den rug er weer >uit. Dioubiban, een echte lunet *)■ Maar einde goed, alles goed.

Deze korte samenspraak werd twee maanden na Massilia's terugkomst gevoerd tusschen den beminne'lijken Marseillaan en een geneesheer, dien men met groote moeite uit een naburig stadje bad kunnen ontbieden.

Dien dag was Scipio Massilia bizonder in zijn knollentuin.

Zijn kameradén hadden opgemerkt, dat zijn luimigheid sedert zijn terugkeer scheen verdwenen.

Een geheim verdriet knaagde aan den vroolijken snaak, eene bezorgdheid, die zich verried door den diepen rimpel, die op zijn voorhoofd zichtbaar werd.

Wat hield den Provencaal toch wel bezig? Een zeer eenvoudige zaak. Tijdens zijn vertrek van Chicago had hij per spoor gereisd. Hij had toen een geheimzinnig gesprek afgeluisterd tusschen Joe Sullivan en diens gedienstigen Bell. Uit dat gesprek bleek duidelijk, dat verraders, door dezen Joe Sullivan betaald, deal uitmaakten van het escorte dar Mestiza. En die verraders waren — te oordeelen naar de gedachtenwisseling tusschen den grensinspecteur en diens dienaar — niemand anders dan de Canadeezen Francis Gairon en Peter de geëmpIoieerde.

De sombere wanhoop van Francis gedurende de weken, dat het jonge meisje zweefde tusschen leven en dood; zijn verwarde blikken; enkele woorden, die de ontroering aan den ongelukkige ontlokte, hadden den Marseillaan de zekerheid verschaft van de schuld in hem dien hij behoedzaam naging.

Maar de vrees, waardoor allen door den toestand van Dolora waren bevangen, hadden hem tot dat tijdstip belet om tot daden over te gaan.

Het jonge meisje had inderdaad lang geworsteld met den dood. Langzamerhand had hare jeugd gezegevierd over de wonde haar toegebracht, zij was buiten gevaar, en Massilia zou zijn onderzoek kunnen aanvangen.

Goed, zei hij tot zichzelven. na den dokter te_ hebben verlaten, ik heb maar een beentje vóór te zetten, en daar mijn geest niet op een dwaalspoor is omtrent den schurk, zal ik hem weldra hebben -ontmaskerd. Want

0 Brilschans eener citadel.

dat moet toch gebeuren zijn straf mag

hij niet ontgaan hij mag niet kunnen ontkennen of zelfs zich verdedigen.

En als om zijn taak te verlichten, hield Francis Gairon, die van verre het gesprek tusschen den Marseillaan en den geneesheer had bijgewoond, den Franschman in het voorbijgaan staande:

Dag, meneer Massilia.

Scipio keerde zich om en mompelde:

Ta, ik zie je komen, mijn waarde! En met een breeden lach:

Jawel; de waarde jager, mijn vervanger als Kampioen der Zuidelijken.

Och! vervanger, zei Gairon zoetsappig — wien het ironisch voornemen van den spreker ontsnapte — vervanger de omstandigheden hebben mij Veroorloofd nuttig te zijn voor haar ter wier bescherming ge u hadt opgeworpen, dat is alles.

Dat zou ik meenen, sakkerloot!

En u hebt den dokter gesproken?

Er lag angst in de stem van Francis Gairon.

Ta, ta, ik kom juist van 'hem. En?

Hij heeft me verzekerd dat er geen zweem meer is van gevaar. ,Ha!

Het gelaat van den Canadees verhelderde. De jager greep de handen van Scipio en drukte ze met klem.

In zijn houding, in de uitdrukking van zijn gezicht lag zooveel oprechtheid, dat Scipio in zichzelf zei:

Vreemd. De vent heeft heel het air van een eerlijk man.

En met verheffing van stem:

Dat doet je plezier?

Ach! riep Gairon, als ge mijn ongerustheid had kunnen afmeten naar mijn gevoel, dan zoudt ge begrijpen dat ik herleef, dat de hoop die mij bezielt, me het leven teruggeeft.

Welnu, leef op je dooie gemak de

leerling van Esculaap was zeer overtuigd. De Senora Mestiza is buiten gevaar.

Daarop verliet hij den Canadees.

Zonderling, mompelde Scipio. met kleine

passen voortloopend Zonderling. Je

zoudt zweren dat die waardige Francis met lijf en ziel verknocht is aan onze bekoorlijke

gekwetste En toch Nu goed, besloot

hij schouderophalend, we zullen zien.

Zachtjes bereikte hij zijn tent. Om er in te komen, moest hij rakelings voorbij een jeugdig bediende, die op een steenklomp was gezoton. Hij herkende Coëllo.

He, snulter, wat voer ie 'bier uit?

Ik droom, Senor, antwoordde de aangesprokene.

Je droomt met open oogen. zooals de haas in de fabel. Ga voort, jongen, met je droom, er kan goeds in zitten.

En hij verdween onder het linnen zeil dat hem tot woning diende.

Coëllo volgde hem met zijn blikken.

Sluiten