Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„in arwacnting dat uw redders hun pogen „met welslagen bekroond zien. hebt u „vluchtig onze lotgevallen te overzien.''

Ziehier in hoofdzaak, wat Francis Qairon verhaalde en gretig door het jonge meisje werd gelezen:

Dolora, na hun onderhoud in het kamp van Sullivan, hebbende verlaten, had de jager zich vervoegd bij zijn geëmpIoieerde, die hem op eenigen afstand wachte. Beiden, hadden zich alstoen begeven naar de plaats van samenkomst, door de vluchtelingen bepaald aan de oevers van de Canadeesche rivier.

Hen terugziende, hadden allen blijken gegeven van een zeer begrijpelijke verbazing. Maar Francis had op eenvoudige en loyale wijze zijne geschiedenis verteld, en evenals Dolora gevoelden Scipio en zijne vrienden dat het vertrouwen weer bij hen terugkeerde.

En wie zou ook het recht hebben gehad om dit wantrouwen te doen blijken, nu de Mestiza haar geheim aan den jager had toevertrouwd?

Van toen af ook had het troepje, met kleine dagreizen den oever gevolgd van de Canadian River waar deze samenvloeit met de Seeth.

Na dezen laatsten zijtak stroomopwaarts te hebben gevolgd, tot op ongeveer duizend mü'en. hadden ze de Fraimy of Tolatl getroffen. :

Deze ingesloten rivier, van rots tot rots overspringend in onstuimigen vaart, een aaneenschakeling van maalstrooming en schuimende watervallen, tusschen boschrijke oevers, ontleend haren oorsprong te midden van heuvelen van middelbare hoogten. Zij wordt gevormd door de vereeniging van zeven beken, die zich uitspreiden als een waaier op een plateau, omringd door pijnboomen, berken en elzenstruiken.

Daar waren de reizigers eindelijk aangekomen.

Zeven dorpen verhieven zich op de vlakte. Bij de aankomst der vreemdelingen was alles in beweging. Krijgers, landbouwers, squaws, kinderen snelden de nieuw aangekomenen te gemoet

Maar de aanwijzingen opvolgende, door Dolora verstrekt hadden Francis Qairon noch zijn metgezellen eenig antwoord gegeven op de vragen der Indianen.

Den linkeroever volgende der derde beek, hadden ze den voet bereikt van een heuvel, waar een duistere spelonk zichtbaar werd en waaruit een waterstraal ontsnapte. • De menigte bewaarde alstoen een d,:ep stilzwijgen en bleef op eerbiedigen afstand van de reizigers.

Alleen Scipio Massilia drong door in de grot. Hij doorliep ze in haar volle lengte en bleef alleen staan toen hij zich bevond tegenover den gladden wand der rots.

Als uit een trechter, die zijn inhoud uitstortte in een bekken van graniet, schuimde

de kokende bron aan zijn voeten.

De Marseillaan bukte zich. doopte zijn handen in het water, liet ze afdruipen terwijl bij zich wendde naar het Oosten, en sloeg alstoen zevenmaal op de rots.

Nauwelijks was de echo dezer herhaalde kloppingen weggestorven, of een enorm rotsblok scheen te wankelen, werd vervolgens langzaam weggeschoven, waardoor de ingang zichtbaar werd van een duistere spelonk.

Eene stem liet zich te zelfder tijd hooren:

Hij, die geklopt heeft, trede binnen, zoo hij een moedig hart en reine gedachten hééft.

Daaraan kan ik voldoen, mijn waarde, zei Scipio. Vooruit dan maar!

En vastberaden stapte hij de donkere gang in.

Na tien passen gedaan te hebben, zag hij iets als een lichtende ster voor zich ujt dansen.

Volg het licht! beval het stemgeluid van een onzichtbaar persoon. Volg het en vrees niets, geen hinderpaal bevindt zich op uw weg.

Vrees is bij mij een onbekende factor, ta, ta, antwoordde Massilia onbevangen, toch is uw waarschuwing mij welkom en nuttig, want ik kan hier geen hand voor de oogen zien, dank u zeer.

Hij wachtte een minuut, in den waan, nog een antwoord te zullen vernemen, maar diepe stilte waarde om hem heen.

Ik zal maar voortstappen, herhaalde Scipio.

Als een dwaallicht zweefde het iicht voor hem uit. Of hij zijn schreden aanzette dan wel vertraagde, de afstand, die hem scheidde van de vliedende ster, scheen noch te vergrooten noch te verminderen.

Klaarblijkelijk regelde de drager van de fakkel zijn gang op dien van Scipio Massilia.

De galerij liep- recht-toe recht-aan.

Plotseling verdween het licht.

Halloa! bromde de Marseillaan, waar moet ik nu heen, nu ze de kaars hebben uitgeblazen?

Loop zopder aarzelen voort! beval de stem van zooeven. Gij komt het doel nabij.

Dan maar weer vooruit, herhaalde Scipio.

Langs den rotswand tastend, vervolgde hij zijn weg

Na tien passen verder te zijn geschreden, bemerkte hij een gang aan zijn rechterhand, die een stompigen hoek vormde met dien, tot dusver door hem gevolgd.

En van verre in de duisternis zag hij een licht gloren.

Neen, het was geen lantaarn meer, geen toorts, geen kaars, neen, het was zonlicht dat hem tegenstraalde.

Komaan, ik zie den uitgang, zei Scipio tot zichzelf. Des te beter, want die duisternis is vervelend op den duur.

Naarmate hij voortschreed, verhelderde

Sluiten