Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iets, dat op een neuspranger geleek, werd hem tegen de ooren bevestigd, met een prop sloot men zijn mond, zonder dat hij een gebaar maakte van protest.

Hij was nu blind en doofstom.

Een hand daalde op zijn arm. Vast besloten zich te laten geleiden, volgde Massillia den ontvangen indruk en stapte hij voort.

Te oordeel en naar het verschil van temperatuur, begreep hij dat men hem geleidde in een onderaardsche gang. Zijn voeten betraden een weekachtigen grond. Hij vermoedde, dat een zandlaag den bodem bedekte. Buiten twijfel werd de gang breeder, want zijn schouders en armen, hoezeer deze laatste ook waren gebonden, ontmoetten vrijer ruimte.

Na verloop van een half uur stonden zijn gidsen stil.

Een krachtige druk gaf hem te kennen, dat hij een knebuiging had te verrichten. Zonder aarzelen gehoorzaamde hij. Vervolgens deed men hem opstaan, en werd de geheimzinnige wandeling voortgezet.

Opeens woei hem een zoele lucht tegeri, die koesterend zijn slapen streelde. De boeien, die zijn polsen omklemden, vielen af, en een min of meer zwaar voorwerp, een kistje, naar hij op het gevoel kon waarnemen:, werd hem tusschen de vingers geschoven.

Daarop werden zijn ooren bevrijd van de prangers, en eene stem sprak:

Herneem het gezichts- en spraakvermogen; de graven hebben zich voor u geopend. De verdwenen luister zal zijn rechten herwinnen.

Een dof handgeklap liet zich hooren en er ontstond stilte, slechts afgebroken door het gemurmel van vlietend water.

Haastig wierp Scipio de prop uit zijn mond weg en rukte hij den blinddoek af. Nieuwsgierig zag hij rond.

Men had hem teruggebracht in de grot vanwaar hij den rotsberg was ingegaan. Aan zijn voeten schuimde wederom de beek,, en door de opening van het bastion zag hij het groenend plateau met boomen en struiken.

Een oogenblik verkeerde hij in den waan, dat hij gedroomd had. Maar zijn handen klemden zich om het metalen kistje, dat prachtig ingelegd was met goud, wat aan het geheele avontuur een cachet gaf van onbetwistbare werkelijkheid.

Een sleuteltje, aan een ketentje bevestigd! hing van het kistje af. Hij stak dit in het slot, opende het en uitte een vreugdekreet:

Corpo di Baccho! Het is het Eendrachtsnoer!

Inderdaad op een zijden kussen, waarvan de kleuren verschoten waren, rustte het Aztek-Inca juweel, met zijn twaalf steenen, van opaal en lapis-lazuli.

Dolora brak haar lectuur af. Het hart

| bonsde haar in den boezem. Het halssnoer, het groote doel van haren kruistocht, het onderpand der Zuidelijke onafhankelijkheid, was in het bezit harer vrienden!

Haar blik werd een oogenblik door droefheid beneveld.

Het is de vrijheid voor allen de dood

voor mij! prevelde zij binnensmonds.

Maar met een weerspannige beweging van het hoofd, scheen ze deze naargeestige gedachte te willen verdrijven, en op beslisten toon sprak ze:

Wat kan het schelen! Toen ik Peru verliet, had ik de belofte gedaan. Ik heb gebeden, om het vreeselijke geluk deelachtig teworden van mijn broeders bevrijd te zien

Ze aarzelde nog even, fluiserend murmelde ze:

Ik wist toen nog niet mijn hart sluimerde en nu....

Met ongeduldig gebaar brak zij af: De heb gezworen, eindigde ze vastberaden, ik heb gezworen. Bij iedere heilige zaak behoort een martelaarschap. Om de vrijheid wortel te doen vatten, is bloed noodig.

En de handen samenvouwend: Aanvaard het mijne!, zei ze. Een wijle bleef ze, de oogen ten hemel geslagen, roerloos zittén. Eindelijk nam ze het papier weer op en las voor de tweede maal de regelen:

„De heeren Krekel en Fabian Rosales, die „het minst bekend zijn bij hen die er belang „bij hebben u vast te houden, hebben zich „als marskramers vermomd. In die hoeda„nigheld zullen zij zich aanmelden op het „fort. Wanneer deze regelen u ter hand kommen is het hun gelukt, uwe bewaarders te „verschalken."

Middernacht.

Vermoeid van het peinzer», had de Mestiza zich, geheel gekleed, op haar legerstede geworpen.

Qeen slaap vermocht haar oogen te sluiten, verward waren haar gedachten. Plotseling voer haar een huivering door de leden. Bovenmate opende ze de oogen, op een elleboog steunend, luisterde ze aandachtig.

Het wilde haar voorkomen, dat lichte voetstappen in de gang weerklonken. Neen, zij bedroog zich niet.

Het geluid verstomde; een onmerkbaar geritsel, als het zacht knarsen van een sleutel in een slot, liet zich hooren.

Wie kon er komen op zulk een uur?

Met een sprong was Dolora ter been. Bijna op hetzelfde oogenblik draaide de deur langzaam op haar hengsels. De Mestiza had reeds lang haar lampje uitgeblazen. Inde cel was het stikdonker, op een blauwachtige streep na, die door het kleine venstergat drong en in een rechte lijn de deur bescheen, I waar ze de schaduw van twee onbeweeg-

Sluiten