Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten mulat, intendant van den eigenaar.

Zooals vanzelf spreekt, schreef don Ramon zichzelven alleen de verdienste ervan toe.

Bij een peervormig hoofd, groote uitpuilende oogen, zwarte bakkebaarden, een ronden buik, door kromme beenen gedragen, was de wijsheid, zooals de Texassers zeggen, den nobelen Ramon in die deelen geschoten. Hij was plomp, dom, ijdel, belachelijk in een woord.

In zijn dikke hersenkas, die aan iedere poging van verstandsontwikkeling weerstand bood, was voorvaderlijke godsdienstzin overgeslagen tot bijgeloof.

Gewapend met een kolossalen rozenkrans, waaraan hij onophoudelijk bad, schepte de resinero behagen in sprookjes van geestverschijningen. Een schipbreuk, een brand, een mijnontploffing lieten hem koud, als zaken van minder belang.

Maar als het toeval hem een vreemdsoortige geschiedenis van spiritisme of hypnotisme onder het oog bracht, dan klopte hem het hart van voldoening en kwam hij op dreef.

Daarbij vadsig en indolent, beschouwde dit zonderling personage als een godslastering den vermaarden versregel van Lafontaine: Aide-toi, le ciel faidera. Naar zijn zienswijze moest de hemel alles doen, de mensch diende enkel te bidden.

En daar de werkzame Cristobal, die alles in orde bracht, fortuin maakte, zonder het vermogen van zijn meester te verkorten, en de onderneming ieder jaar meer winst afwierp, herhaalde don Ramon onophoudelijk:

Mijn leven is een voorbeeld van menschelijke wijsheid. Ik bid mijn rozenhoedje, God' doet het overige, mijn gomelastiek groeit voortdurend aan.

Het is bij dezen zonderlingen Resinero, dat wij den verwaanden Forster terugvinden, door Joe Sullivan en het geheele garnizoen van het Fort Davis geëscorteerd.

In zijn salon — aldus genaamd, omdat hij er voorname reizigers ontving — in den salori, met ruwe te Ardipa vervaardigde stoelen gemeubeld en waarvan de witte muren enkel met tallooze vrome zinnebeeldige voorstellingen waren uitgemonsterd, sprak de predikant Forster:

Ja, edele Resinero, deze Dolora Pacheco was in het Fort Davis geïnterneerd. ' De hemel had het aldus toegelaten, sprak Ramon zalvend, met verdraaide oogen de zoldering aanstarend.

Zeer zeker, hernam de predikant. Wij hadden gedacht, den oorlogzuchtigen geest, die over het Zuidelijk Amerika waart, voor immer te hebben gefnuikt. Op zekeren avond echter vraagden rondzwervende marskramers gastvrijheid en nachtverblijf m het fort. Men voldeed aan hun verzoek. Des anderen daags waren zij en de gevangene verdwenen.

De Heer is de Leeuw van Juda, psalmodieerde de resinero. Mij verslindt den schuldige en bevrijdt wie zonder zonde is.

Forster fronste de wenkbrauwen.

Och kom! Is dat alles wat ge hebt te zeggen?

De deugd is gelegen in het feit. dat men zich overgeeft aan de ondoorgrondelijke raadsbesluiten der Voorzienigheid, mijnheer de Gouverneur. Dat neemt niet weg, dat ik u de personen zou uitleveren, zoo zij zich

onder mijn dak bevonden Want door

het feit alleen, dat ze mijn nederige woonsteê hadden opgezocht, mocht ik het als een vingerwijzing beschouwen van den Almachtige, dat zij wederom in uw handen moesten vallen. De woning van een trouwen Noordelijke kan niet tot schuilplaats dienen voor een rebel van het Zuiden.

In weerwil van zijn bijbeische spreekwijze, hield deze verklaring niets in, dat den eerwaarden Forster kon mishagen. Hij boog dus voor den hidalgo, wiens dom uiterlijk hem een waarborg was van diens oprechtheid.

In dit geval blijft mij niet anders over dan u dank te zeggen voor uwe gastvrijheid, don Ramon. Mijne ruiters zijn uitgerust, wij zullen de vervolging van deze naargeestige Mestiza voortzetten.

Ik zal een rozenkrans bidden, senor Gobernador,. voor het welslagen uwer onderneming.

Forster zei schouderophalend en met zekere ironie: Ik zal er u dank voor weten. Maar bovendien vraag ik een andere gunst van uwe welwillendheid.

Spreek, senor.

Als de vluchtelingen dezen kant mochten uitkomen....

Zal ik ze terstond door mijn dienaren doen arresteeren.

En u zult het Fort Davis ervan verwittigen?

Om u te dienen, senor Gobernador.

Hierop vergezelde de zwaarlijvige resinero zijn gasten tot de binnenplaats, waar de militiesoldaten zich reeds hadden verzameld. Hij zag hen te paard stijgen, groette hen beleefd en keek het kleine troepje zoo lang na, totdat het uit zijn oogen was verdwenen.

Toen liet hij de koralen van zijn rozenkrans spoedig tusschen zijn vingers glijden.

Heilige Maagd Maria, zonder zondensmet ontvangen! jj- v'

Heilige Joseph!

.Heilige Jacobus!

Heilige Hieronymus!

Plotseling viel hij zichzelf in de rede:

Er is een heele tijd voorbijgegaan, dat ik mijn he'Hge patroons niet heb aangeroepen. Die bezoekers zouden iemand zijn plicht totaal doen vergeten! Gelukkig, dat de edele geesten die ik vereer, zullen begijpen, dat een heer des huizes, en eerzame resinero, zich

Sluiten