Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrouw keerde zich om en liet het zacht gelaat zien van Dolora.

Zijt gij het vriend, is er iets nieuws?

Don Ramon is langs de resineria gekomen.

Zoo! Zou hij vermoedens koesteren?

Neen, Donna, stel u gerust. Hoewel, om u de waarheid te zeggen, er in zijn hoofd een vermoeden kan oprijzen.

Wat wilt ge daarmee aanduiden?

Wat ik u zelf wil doen begrijpen;.

Terwijl hij dit zeide, versoheen een ander persoon, als arbeider gekleed; hij droeg een napje, waarin de vloeibare caoutchouc zich bewoog.

Sandiou! riep hij, mijn potje is vol, ik zal een ander moeten hebben.

Het was Scipio Massilia. Den mulat gewaarwordende, heette het:

Ta, ta, goejen dag, moussu Cristobal, gaat het goed?

Een beetje ongerust, zei de intendant, maar u zult niet twijfelen aan mijn goeden wil.

Dat doen we volstrekt niet, haastte zich Dolora te bevestigen.

Toen ge dezen nacht zijn aangekomen, na genoodzaakt te zijn geweest uw uitgeputte paarden aan hun tot over te laten, heb ik niet geaarzeld u een schuilplaats te verleenen.

Dat is zoo.

Ik ben een mulat, en bijgevolg een Zuidelijke in mijn hart. Mijne houding was dus zeer natuurlijk, en ik zou die niet in herinnering brengen, als

De intendant aarzelde.

Als? vraagde Scipio nieuwsgierig.

Als hetgeen zich heeft voorgedaan niet was geschied.

Maar wat is er dan gebeurd?

Luister. Toen zij, die u op de hielen zaten, op hunne beurt zich aan de haciënda meldden, heb ik hen in het oog gehouden, ik trachtte de soldaten aan de praat te krijgen, onderwijl ik hun ververschingen aanbood. Ik hoorde toen, dat de telegraaf tusschen de grensposten werkzaam is geweest en van alle kanten afdèetingen der Noord-Amerikaansche militie het veld doorsnuffelen.

En gij hebt ons uitgenoodigd hier te blijven.

Tot op het oogenblik, dat uw vijanden, ontmoedigd zijnde, hun nasporingen zouden staken. Maar ik vrees....

Wat vreest ge?

Dat mijn meester Don Ramon het bedrog zal ontdekken. Hij, hoe dat zoo?

Senor, als u mij toestaat te spreken, zult ge er spoedig achter zijn, want ik ben alleen hier gekomen, om u en uw vrienden te waarschuwen.

Spreek, Cristobal, zei Dolora Wij luisteren.

Van het verlof gebruik makend, herhaalde de intendant zijn ontmoeting met Don Ramon en diens staaltje van bijgeloof, wat betreft den overvloedigen gummi-oogst.

Voorzichtigheidshalve — besloot Cristobal — heb ik u aan den arbeid gezet. Als uw vervolgers het in hun hoofd hadden gekregen om

een bezoek te brengen aan dre resineria, zouden ze u, als alle andere arbeiders, aan het werk hebben gevonden en niet op de gedachte zijn gekomen, dat gij de lieden zijt, die zij zoeken.

Dan is alles in volmaakte orde, mijn allerbraafste! riep Scipio.

Maar de mulat schudde het hoofd:

Tot nu toe ging alles van een leien dakje, dat is zoo.

En heet gelukkig.

Maar

Zoo. is er een „maar"? • '

En -en heel erge ook.

Laat dat „maar" eens hooren. Ik wedi dat dit voegwoord liegt.

Mijne vrees heeft haar grond in een gewoonte of hebbelijkheid van Don Ramon.

En die is?

De patrum is zeer bijgetoovig. Hij is er al heel gauw bij, om te zeggen dat uitverkoren oi verworpen geesten zich bemoeien met de aangelegenheden der menschen.

Ieder bijgeloovige is van die kracht Maar

wacht even halt! daar heb ik het!

riep Scipio zich voor het hoofd slaande, wij maken ons önnoodig ongerust.

Wat bedoelt ge? vraagde Cristobal.

Wacht even. Ge hebt daar straks ons verhaald van een mirakel.

Ja.

Welnu zoo'n mirakel zetten we voort.

Maar

En als er een kink in den kabel komt, laat je mij het woord doen.

De Marseillaan scheen zeker van zijn zaak. Zijn hoorders gevoelden zich onweerstaanbaar tot hem aangetrokken. Toch wilden ze het fijne ervan weten.

Neen, niets, hernam hij 'lachend we verrichten het wonder van de caoutchouc en

gij, mijn waarde Cristobal, zult u gelieven te herinneren, dat ge maar acht menschen in deze resineria aan het werk hebt.

Daarop groette Scipio het gezelschap en keerde naar zijn post terug, zonder eenige nadere verklaring te willen geven.

IV.

HET VISIOEN VAN SCIPIO MASSILIA.

Tegen zes uur in den avond kwamen de resineros op die haciënda teru°\ ten geleide van een ossenwagen, beladen met een vracht kalebassen waarin het gurramisap was vergaard.

Twee aan twee openden de acht Mi de onderneming geëmpIoieerde werklieden den stoet Achter hen volgden de vluchtelingen: Scipio Massilia met Coëllo, Dolora met Francis, Peter bij Marius, en eindelijk Rosales aan de zijde van Krekel.

Maar op de binnenplaats komende, wachtte den reizigers een verrassing.

Don Ramon was hen vooruitgegaan.

Op zijn gezicht gevoelden de vluchtelingen zich niet op hun gemak. Hij zou hen in het voorbijgaan tellen en zonder moeite tot het

Sluiten