Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heilige aartsengelen zegenen den vreemden heer! Mijn huis en ik zijn hem toegedaan.

Best, zei de onbekende met een sterk Angelsaksisch accent, ik kan goed betalen en houd mij dus overtuigd van een ijverig dienstbetoon in een zaak van gewicht.

De oogen van den Tambero Schitterden als karbonkels. Het gezegde van den vreemdeling: „ik kan goed betalen", was het eenige dat hij had gehoord.

Welnu, volg mij dan, zei deze.

Naar het einde der wereld, Senor, als het moet.

Neen, zoo ver gaat de reis niet, we leggen ons anker alleen hier neer.

En terwijl zijn reisgezellen afgingen op een waggelende schuur, die den naam droeg van stal, begaf de Senor zich in het huis.

Ruwe tafels, gebrekkige stoelen en banken stonden op den kleiachtigen gespleten grond. De reiziger nam op een dezer meubelstukken plaats, liet een nieuwsgierigen blik rondweiden, krulde verachtelijk zijn lippen, en zei:

Zorg, dat ik en mijn geleide wat te eten Krijgen, zooal geen behoorlijk maal, dan toch goed toebereid.

Terstond, Senor, wildbraad, eieren, gevogelte alles besproeid met zekeren

rranschen wijn, dien rk er voor gewichtige gasten op nahoudt.

Het is goed, ga nu heen.

Na verloop van een half uur kwam Gonfaccio terug:

Nog een twintig minuten, zei hij met een onderdanige buiging, en uwe lordschap kan aan tafel gaan.

Goed. Luister.

Het spijt me, dat ik ten dienste van Uw Heerschap maar twee ooren ter beschikking heb. i

Daaraan heb ik genoeg, en beter ware het als je wat minder rad van tong waart. Hoor nu eens goed: Wil je honderd dollars Verdienen?

Een schok voer den Tambero door de leden. Honderd dollars! Dat was meer dan hij soms in een jaar verdiende.

Zeifs, als hetgeen men ervoor dóen moet, ging de vreemdeling voort, niet het dageÜjksche werk is van herbergiers?

Een fijn glimlachje krulde Gonfaccio's lippen.

De plicht van een logementhouder, Senor, is zijn gasten tevreden te stellen. Hij mag niets van hetgeen hun belang inboezemt beschouwen als buiten zijn werkkring te liggen.

De onbekende knikte toestemmend. Achteloos haalde hij uit den zak van zijn pantalon een kristallen fleschje met een bruinachtig vocht.

Zie je dit? zei hij.

Uwe Heerschap zal bemerken dat ik mijn oogen wijd opensper. Het is een oplossing van opium.

Uitmuntend middel tegen slapeloosheid.

Juist.... Van avond zul je hier wel acht menschen te logeeren krijgen.

Acht! Santa Virgen de Cordoya! riep de Tambero, de handen samenvouwend. De zegen des hemels rust op mijn nederig dak.

Zwijg! beval de onbekende op barschen toon.

Die personen, vervolgde de spreker fluisterend, zijn zeer gevoelig voor indrukken, de vreugde van mij weer te zien kan nadeelig op hen werken. Ze moeten dus van. mij noch van de tegenwoordigheid mijner begeleiders iets bespeuren.

't Zal gemakkelijk gaan, Senor.

De zenuwachtigheid waarmee ze behept zijn, is ook de oorzaak van hun slapeloosheid. Je kunt begrijpen, dat nachten zonder de noodige rust, na vermoeiende dagmarschen, allernadeeligst op de gezondheid werken.

Uwe heerschap zegt daar een groote waarheid.

En daar ik zeer veel belang stel in die menschen en niet wil dat ze last hebben van vermoeienis, moet je den inhoud van dit fleschje in hun drank mengen.

Dan zullen ze wel slapen, niet waar, Senor?

Ik mag het lijden en verwacht het ook wel.

De Tambero stak de hand uit. Geef mij het fleschje, zei hij. Aan het verlangen van Uw heerschap zal worden voldaan.

De onbekende zag den herbergier aan met oen onderzoekenden blik, en op vastberaden toon heette het:

Pak aan dus met deze vijftig dollars;

de wederhelft krijg je, als je me komt zeggen, dat je gasten in diepen slaap liggen. Maar zorg vooral, dat ze niets merken van je preparaat.

Geen schijntje, Uwe Heerschap kan op dit punt gerust zijn.

Dus, je hebt het begrepen?

Gonfaccio knipoogde. Ja, ja, Senor, ik weet er alles van. Onder ons gezegd, uw honderd dollars kunnen niet in betere handen komen.

Op dit oogenblik verschenen de vijf mannen, die het geleide uitmaakten van het geheimzinnig personage, op den drempel van de zoogenaamde gelagkamer.

De paarden zijn aan de ruif met veel voer en goede ligging, zei een der manschappen.

Waar zul je ons bergen? vraagde de onbekende, zich tot den Tambero wendend.

In mijn eigen vertrek, Senor.

Goed, breng ons erheen. En vooral zwijgen, hoor!

Er liggen me honderd dollars op de tong, en die wegen zwaar, zei Gonfaccio.

Tiert minuten later waren.de zes reizigers in het vertrek van den Tambero geïnstalleerd en kluifden ze aan kuikens die hun waren voorgezet Zij aten in stilte, dikwerf

8

Sluiten