Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verloren zijn zij, reddeloos,

Bij zulk een wind en waterhoos.

Zij weenen, kermen overluid:

„O menschen lief haalt ons hier uit!"

Doch niemand, die hun roepen hoort,

Steeds vérder stuwt de zee hen voort.

„De nood het hoogst de hulp nabij" Dit ondervonden thans ook zij. Vrind Petrus stootte met een teen Op iets wat wel te drijven scheen, 't Was hard en glad en rond en groot, Een onderzeesche motorboot!

Hij zwom nu om het vaartuig rond, Of hij ook spoor van leven vond En schreeuwde schier zijn longen uit Maar hoorde niet het minst geluid; Toen trapte hij een ruit kapot En kroop er door gelijk een rot.

Sluiten