Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van gedachten /zou men denken en dit is een welkome afleiding, maar het verwordt vaak tof meer en erger dan dat. Het verwordt vaak tot onverdraagzaamheid en fitterij, zelfs wel tot handtastelikheden.

En al was dit niet zo, al was er de beste en schoonste harmonie, al konden allen het nog zo goed met elkaar vinden op grond van hun gemeenschappelik levensbeginsel, dan nog zou het voortdurende bij-elkaar-zljn, gepaard aan de gedwongen werkloosheid, tot onaangename momenten voeren.

Want het is niet zo als in de maatschappij, dat de mensen elkaar zoeken, maar toch ook, wanneer ze dat willen, de eenzaamheid kunnen vinden, — hier is het zo ingericht, dat de ziel nooit alleen is. En dat is psichologies fout. Ieder mens, hoe 'n gemeenschapswezen hij ook zijn moge, heeft op z'n tijd behoefte aan eenzaamheid: aan stilte en dromen. Dat is een levensbehoefte, evengoed als het Voedsel voor het lichaam. Uit die ogenblikken van inkeer en zichzelf-zijn groeien de gedachten, die hem,'wanneer hij weer in het gewoel en gedruis van het leven terug is, staande houden en schoonheid doen herdenken. En hier, waar je 24 uur van den dag met anderen tezamen bent, ken je die momenten niet. Het wondere leven van ■de ziel is weg en wat er overblijft is het grof-alledaagse, het banale, het gewone. Nooit, zelfs de uren van de nacht niet, ben je alleen, en nooit kan dus dat masker, dat ook de meest openhartige voor het gezicht draagt, wegvallen. — We winnen dus wel aan „gezelligheid", wanneer we bij elkaar zitten, we kunnen schaken en dammen en bomen opzetten en gimnastiseren, maar elk voor zich verliezen we dat, dat mistieke en onzichtbare, dat we niet noemen kunnen en dat toch zo héél nodig is: de uren dat we uit het stoffelike loskomen en ons baden in eeuwigheidslicht.

We zitten hier in een zaal van de barak van het Huis vah Bewaring met 20 man bij elkaar, doch héél anders hadik me het H. v. B. nog voorgesteld. Het is vroeg in 't jaar en soms kan er al iets van lente in de lucht zijn. Wanneer we „luchten" (en dat geschiedt hier op een binnenplaats, waar we dan in een kring almaar, almaar in de rondte moeten lopen), dan omzoelt ons ook al vaak iets van voorjaar. Dan zien we een paar bomen, populieren lijken het wel, die al zwellende knoppen vertonen, en ook als we binnen zijn, kunnen we door de ruiten der lantaren in de zoldering de bomen heen en weer zien wiegelen in den wind. Het is al zo'n grote troost wat, al is het nog zo'n kleinigheid, van de natuur te zien. Een beetje zon,

Sluiten