Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een stuk blauwe, lucht, een paar bomen, — ach, dat alles is als een hand, die je over het voorhoofd strijkt, zachtstrelend.

Vanmorgen werd ik héél vroeg wakker en het was een klare lentedag. Buiten, in de boom, waarvan we de top nog net zien kunnen, zat een lijster de jonge dag in te fluiten. Alles was nog doodstil en niemand dan ik was gelukkig wakker. Het was een genot zo naar de lieflik-fluitende vogel te liggen luisteren, — het was of die vogel alleen voor mij daar zat te zingen, jubelend en ochtendblij. Ik was helemaal vergeten waar ik was en m'n ziel vloog mee in de morgenschijn:

. O, een vogel te zijn in de morgenstond! Een blijlichte vogel,, met zang in de mond En de dauw nog tussen de veren! O, zo in de parelen ochtend te zijn, Een ding als van licht, zo ijl en zo rein, Zo zuiver te jubileren I

O, zacht te verklanken mijn innige vreugd, — In luistere zang om het heilig geneugt Van het Leven te juichen, te juichen! Alleen maar een klank van de aarde te zijn, . Alleen maar te wezen 't gedurig refrein, Dat d' aard naar de hemel doet stijgen!

Sluiten