Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het helemaal niet zo iets geweldigs. Het is maar een klein deel van de grote strijd en de mensen, die uit een persoonlik gevoelentje de dienst weigeren, en niet daartoe gedreven worden door het grote, universele sosialistiese levensbeginsel, — wel, ze hadden* vanuit het standpunt van maatschappelik nut gesproken, evengoed soldaat kunnen worden. De dienstweigering heeft alleen waarde, wanneer ze geboren wordt uit het grote begrip van het Sosialisme en dan ook alleen. De diensweigering is dan ook a. h. w. een voorpostengevecht van de grote strijd, die ontbranden gaat.

Het bovenstaande lijkt me een noodzakelike aanvulling te zijn van het veelbesproken, veelbestreden, — maar zelden begrepen stuk van Postma en De Wilt in de „Stem der Jongeren": de waarde van de dienstweigering ligt in het beginsel, waaruit geweigerd wordt: socialisties of niet.

Aan den horizon legert een boog van sccemerwit licht: het schijnsel van Amsterdam: Ofschoon, ik nog kilometers van de grote stad af ben, groet zij mij reeds en het klinkt me als een welkom toe. Maar het is niet alleen een verwelkomen, het is ook een roepen. Daar is de stad, waar de honderdduizenden werken en leven — (wat voor een werk en wat voor een leven!) Daar is het leven, het beweeg, het grote gebeuren, de wenteling der raderen en de polsklop van het maatschappelik lichaam. Daar is het geestelik milieu, waar ik zo lang naar verlangd heb, — de opera's, de konserten, de kerken en de musea, de lezingen en de vergaderingen, het schone en het edele. Daar is dat, wat wacht op de macht onzer handen om het schoner, hoger te bouwen, om te scheppen tot leefkrachtiger zijn. Daar is het Leven, waarvan wij allen, als atomen van een lichaam, een deel zijn.

Leven, ik kom, ik heb uw roep gehoord. Ik kom mij weer werpen in uw wenteling, te lang reeds werd ik ver van u gehouden. Ik kom en door mijn kleine werk zal ik meebouwen tot de grote glorie uwer eindelike zegepraal.

Sluiten