Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dezen geweldigen tijd (van beroering, van hopen en vreezen, van het laatste vooral, in dezen tijd van binnénlandschen nood en internationale ontzetting dienen de militaire dienstplichtigen in Nederland zich steeds sterker de vraag voor te leggen: wat kunnen en moeten wij doen om den eigen en den algemeenen noodtoestand te lenigen?

Voor zoo velen is de toestand ernstig, voor zoovelen is de toekomst dusdanig bedreigd of reeds verwoest, dat jarenlange harden arbeid noodig zullen zijn om het oude peil van betrekkelijken welstand wederom te bereiken.

Is er in Nederland O. W. gemaakt, zeker niet'door de soldaten, van wie meestal de spaarpot is opgeteerd, lang voordat eindelijk, na jaren, het burgerpak weer aangetrokken en, voor zoover doenlijk, weer iets verdiend kan worden. De toestand is slecht voor den soldaat en zijn toekomst is zwart.

Maar zijn wij militaire dienstplichtigen zelf niet daaraan voor een deel mee schuldig? Zou het niet mogelijk zijn om verbetering in dien toestand te brengen en zouden wij met elkaar niet ook wat beter voor onze toekomst kunnen werken?

Wij hebben allemaal dezelfde grieven, dezelfde verlangens, en ja, het is waar.... ook dezelfde pessimistische, moedelooze, bij velen zelfs hopelooze stemming. Het is „kankeren" van af de „reveille" tot „de lichten uit", zonder eenig ander resultaat dan dat de slechte stemming nog slechter wordt.

Sluiten