Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2., Schuine ladder.

Eén oefening in het stijgen en in het dalen in éénledigen strekhang of strekhangzwaai.

Het stijgen moet in dwarshang geschieden, te beginnen uit hang en niet onmiddellijk na den aansprong (het stijgen uitsluitend aan de sporten of met gelijktijdig verplaatsen der handen is uitgesloten); het dalen mag ook met half gebogen armen plaats hebben.

(De ladder wordt zóó schuin gesteld dat de achterkant der stijlen met het horizontale, vlak, achter het toestel gedacht, een hoek van ongeveer 60° vormt. Het begin en het eindgedeelte van het stijgen liggen schuin gemeten 1,5 M. van elkaar en zijn op de ladder aangegeven). 3. Balslingeren (werpen).

Twee worpen, één zonder en de ander met voorafgaanden halven draai om de lengte-as; de slingerbal (met lus) moet geworpen worden over een 3 Meter hoog en 8 Meter ver gespannen koord en moet binnen een baan (strook) van 10 Meter breedte neervallen.

Eénledige sprongen:

1. Hoogspringen.

Twee sprongen met vrijen aanloop, één met afstoot met den linker- en één met afstoot met den rechtervoet van eene gewone springplank over een op 8 d.M. hoogte gehangen lijntje (koord). De horizontale afstand van de voorzijde der plank tot het lijntje is 1 M.; de neersprong in sluitstand kan gevolgd worden door nabewegingen zonder of met draai om de lengte-as.

2. Vér springen. ,

Twee sprongenmet vrijen aanloop, nl.: a. één met afstoot met beide voeten over een afstand van 1,20 M. en b. één met afstoot met eén voet over een afstand van 2,50 M.

Bij beide sprongen wordt gebruik gemaakt van eene gewone springplank; de neersprongen hebben plaats in sluitstand en kunnen gevolgd worden door een nasprongetje al of niet met draaien om de lengte-as.

Sluiten