Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat me er dan maar in, dan zoek ik hem zelf wel," beval ik barsch.

„Kan niet." „Wat?"

„Niemand mag in den tuin," kwam de lakei onverbiddeflijk. „Zeg eens, vriend, weet je wien je voor hebt?" snauwde ik hoog.

De man keek met blijkbare minachting naar mijn stoffige uitstalling, zei dan zakelijk; „De ezel loopt in den tuin."

„Hoor eens, dat is geen manier om over je heer en meester te spreken," woedde ik, in den waan dat hij Arie Zonnebloem bedoelde.

„De ezel lóópt in den tuin," herhaalde de lakei. „Nou kort en goed, laat je me er in, ja of nee ?" „Nee signore, <— de ezel „Jij bent een ezel!" bulderde ik.

Iedereen die wel eens een uur lang in stof en hitte een berg is opgezwoegd om er ten slotte niet alleen bot te vangen, maar bovendien nog door een bediende als oud vuil te worden behandeld, kan begrijpen in wat voor stemming ik mij bevond.

„Doe je open, ja of nee?" stelde ik, ingehouden woedend, het vraagstuk.

„Nee," zei de bediende kalm, „ik heb u al gezegd dat de ezel... Kijk daar loopt hij."

Ik keek in de aangewezen richting en zag op het groote gladgeschoren grasveld den veelbesproken langoor loopen. Het was een vrij onoogelijk beest, met ruige stroppig-bruine haren en hier en daar er tusschen kale plekken. Beslist geen rasezel en nog minder een viervoeter om wiens aanwezigheid mij alle toegang tot het park moest worden ontzegd.

Aan weerszijden gingen twee lakeien; de een met een waaier,

Sluiten