Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de tweede met een groot zonnescherm, de derde met een bos distels, de vierde met een blauw-Chineesche porseleinen kom met water. Vooruit liep een dertig, zwart-gebaard heerschap.

„Wat is er met dien ezel?" vroeg ik, ditmaal zeer schuchter, waar ik mijns ondanks onder den indruk van den vreemdsoortigen optocht was geraakt.

„Weten we niet. Mijnheer is er erg aan gehecht."

„Waar is m'nheer ?" vroeg ik opnieuw.

„Kan ik niet zeggen."

Maar opeens kwam mijn ongeduld weer boven. Het waren minder de distels dan wel het zonnescherm en de waaier en vooral het water, die me van lust deden vergaan eindelijk binnengelaten te worden.

„Nou genoeg met dat geklets. Laat me er in of je zult meer van me merken. Ik ben een oude vriend van m'nheer..." „Dat kan iedereen wel zeggen," meende de lakei. „Ellendige gegalonneerde aap, — doe open, zeg ik je!" Ik beefde van woede.

„Nee," — en de bediende wendde zich af om heen te gaan. Toen nam ik, onverantwoordelijk in mijn drift, een handvol steen en van den weg, en wierp die, door de tralies van het hek, pardoes naar den tergend verwaanden ezel. De uitwerking van mijn wandaad was ontstellend.

De lakei stiet een rauwen vloek uit, waarin een eerwaardige heilige tot een koppelaar werd verlaagd. De vier andere bedienden heten hun attributen van schrik uit de handen vallen, staarden mij verbijsterd aan, stoven dan uiteen omdat de ezel, met wilde achterhjfverheffingen zijn hoeven in het rond slaande, hun in een oogenblik ieder zijn opvatting over het gebeurde openhartig had mede-en uitgedeeld. Het zwart-gebaarde heerschap, vuistenballend, oogen uitpuilend, een verwrongen trek om de verbleekte lippen, rende op me toe, nauw gevolgd door

Sluiten