Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Josjo, lieve beste Josjo," vleide bij in het Hollandsen, — „wat hééft Josjo dan? Hebben ze Josjo kwaad gedaan? Kom dan maar; wil Josjo een klontje suiker ?"

En Josjo at zijn klontje. Maar terwijl riep ik:

„Arie, laat je me er nu eindelijk in ?"

„In 's hemelsnaam, wees stil," verzocht de man, die uit het hek behoedzaam neerdaalde.

Langoor keek in onze richting, sloeg even nijdig met den staart. Maar Arie klopte hem vriendelijk op den nek, staarde dan stomverbaasd naar mij.

„Zeg, als je klaar bent met dat beest... Ik begin er schoon genoeg van te krijgen."

„Laat m'nheer er in," beval Arie.

Het hek week. Ik wierp een zegevierenden blik naar de lakeien, stapte op Arie toe:

„Dag, kerel, hoe staat het er mee ?"

„Best, best," weerde hij mij vaag af.

„Je schijnt niet uitbundig blij te zijn me te ontmoeten."

„Nee, als jij ook met jouw optreden Josjo wild maakt."

„Hoe weet je dat?

„Een bediende kwam me op de trap tegemoet." „Hoor eens Arie, je bent een goeie kerel, maar als je denkt dat ik me, evenals jij, op den kop laat zitten door de nukken van zoo'n vuilen ragebol van een ezel..."

„Hou je mond 1" snauwde Arie: — „Dokter," sprak hij den zwart-gebaarden aan, die nog steeds de hand over een breedgapende scheur in zijn broek wreef, blijkbaar niet alleen uit schaamtegevoel, — „Dokter, wat denkt u er van?"

„Ik wou mezelf wel eerst even verbinden," meende de aangesprokene met een bedeesden, pijnlijken glimlach.

Geen kwestie van, de ezel gaat voor," kwam Arie hardvochtig. „Dus, wat denkt u van den toestand?"

Sluiten