Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel zeker."

„Ja, maar een heusch geheim. Je zoudt de eenige wezen die het wist, en je mag het ook weten omdat ik „het" een beetje aan jou te danken heb."

„Ik belóóf het je," beweerde ik stellig, kietelig van nieuwsgierigheid na al de bijgewoonde onverklaarbare tooneelen.

Arie nam me ter zijde, fluisterde:

„Ken je dat sprookje van Grimm: „Tischlein deck dich, Esel streek dich"?" „Jawel."

„Nou.... zoo'n ezel is Josjo."

Ik staarde hem aan in de stellige overtuiging dat hij krankzinnig was geworden, Er zijn immers van die menschen, die overigens volkomen bij zinnen, op één punt ontoerekenbaar zijn, in een voortdurenden waantoestand leven. Vooral de welbedeelden, die met hun tijd en geld geen raad weten, die van verveling niet begrijpen wat ze doen zullen, worden door zulke neigingen tot vreemdsoortigheden aangetast.

„Je bedoelt dat Josjo goud — ?" aarzelde ik.

„Ja," verklaarde bij langzaam, — „goudstukken van voren en van achteren, zoo vaak en zooveel als ik wil maar."

„Dat is leuk," meende ik, in de overtuiging dat men bij zulk soort van ontredderde zinnen beter doet geen tegenspraak te wagen.

„Ik kreeg hem van een Arabier, dicht bij El Katief, je weet wel (maar ik wist het niet: n. v. d. sch.) aan de Perzische Golf. Ik had zijn dochtertje het leven gered. Ze kreeg een slangebeet en ik gaf haar een inspuiting met kalium-permanganaat."

„Aardig," gaf ik, in mijn ongeloovigheid, zonder eenigen hartstocht toe.

„Niemand weet mijn geheim, ook de dokter niet. Ik verberg het aan iedereen. Je snapt, als ze iets wisten, gapten ze hem

Sluiten