Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had dien brief gelezen, wel twintigmaal, eer hij ten volle besefte. Tien weken was het ding van uit de kleine negerij, den buitenpost, onderweg geweest, meer dan twee maanden was zijn zoon begraven, en al dien tijd had hij den laatsten brief van den jongen als een schat in z'n portefeuille rondgedragen, had hij hem laten lezen aan zijn vrienden en kennissen, die hem dan, met een prettigen glimlach om zijn eigen blijheid, er geluk mee hadden gewenscht.

„Beste vader" — had Karei geschreven — „tot nu toe was het onzeker en heb ik maar niets gezegd, maar nu kan ik het je wel vertellen: nog een maand of drie en dan krijg je een telegram, alleen het woord „Karei", en dan weet je, dat ik dien dag in Batavia aan boord ga om je in Holland op te zoeken. Als je dan even in de krant nakijkt, dan weet je wel met wat voor schip ik kom. Want ik kom, vader, en als niet alles tegenloopt, blijf ik. Ik heb geluk gehad het laatste jaar en een aardigen spaarpot gemaakt. Dan blijven we samen. Na moeders dood hebben we veel te weinig aan elkaar gehad, die paar jaren en nu is het al vijftien jaar, dat we elkaar het laatst zagen. Maar dat is nu uit. Nou blijven we bij elkaar. Daar heb je zeker niets tegen, wel? Ik breng je een boel mooie dingen mee en we gaan ons knus inrichten. Wat zullen we een prettigen tijd hebben! Wil je wel gelooven, dat ik die drie maanden amper kan afwachten? — Nou ga je niet net op den dag, dat ik aankom, jicht krijgen, want dat zou onaardig wezen— Ik plaag maar hoor... Zooeven heb ik m'n kameraad, haast den schouder uit het lid geslagen van zuiver plezier, dat ik er tusschen uit trek. Nou vader, het beste — tot over een maand of vier, dan zien we elkaar weer."

Dien brief had bij bijna vier maanden geleden ontvangen. En nu, waar hij eiken dag het telegram wachtte, de deur haast niet uitdorst uit angst, dat het net zou komen als hij er niet

Sluiten