Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, nu hij uren achtereen voor de ramen had zitten uitzien naar den telegrambode van het kleine stadje —- nu was het bericht gekomen, door den kameraad geschreven. „Even voor zijn dood heeft hij mij verzocht u zijn laatsten groet over te brengen en ik kwijt mij bij dezen van dezen droevigen plicht. Zijn koffers en goed zal ik u laten opzenden."

De oude man snikte, de knuisten diep in de oogen geperst. Het was uit. Het was alles anders gegaan dan hij zich had voorgesteld in zijn stille uren van mijmering. In al de lange jaren na moeders dood, waren al zijn gedachten bij den jongen geweest, den flinken stoeren kerel, die ver weg in het tropenland werkte en ploeterde. Al de jaren had hij gehoopt op het weerzien, op zijn terugkomst, waarop hij niet had durven aandringen. Nu — waar het gelukkige oogenblik nabij scheen, was alles anders geworden. Hij bleef alleen, — alleen met zijn herinnering aan de vrouw, aan den zoon. En hij snikte.

„Waarom huilt u zoo ?"

Het kleine meisje stond voor hem. Groot en vragend keken de klare onwetende oogen hem aan. Het helle zonlicht glansde en schitterde in haar gouden haren, die om het gelaat lagen als een stralenkrans. Ze stond er heel stil in de lichte, blijde wereld, de bandjes aan de jurk, het hoofdje even gebogen, de heldere oogen peinzend en vragend.

En de oude man zag zwijgend op naar het ranke luchtige wezentje, keek met zijn droevige oogen in de groote, glanzende, onbevangen en schuldelooze pupillen, en een verteedering, zoo diep, zoo grenzenloos kwam over hem, dat even een matte glimlach gleed over zijn afgetobde gelaat. En toen, — toen zag hij, hoe de kinderoogen verduisterden, hoe langzaam een trots ingehouden traantje uit de hoeken zwol en langs het neusje biggelde. En hij strekte de handen uit en trok het schreiende kind aan zijn borst. En opeens kwam een lang vervlogen

Sluiten