Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herinnering op: — hoe hij eens jaren her zoo gezeten was en zijn jongen zich bezeerd had en in zijn armen lag uit te huilen.

Het meisje lag tegen hem aan en schreide. Haar blonde, geurende lokken drukten zijdezacht tegen zijn afgetobde gelaat ; in zijn armen voelde hij het ranke lijfje schokken bij eiken snik. En hij prevelde zachte woorden van troost, troost voor hem zelf, — dat het zoo wezen moest, dat het alles kwam, zooals het moest; — dat wij niet begrijpen het hoe en het waarom. En langzaam bedaarde het kind, bleef moe en mat tegen hem aanleunen. Hij klopte het op de schoudertjes, streek zachtjes over de glanzende, gouden lokken, legde voorzichtig zijn wang tegen de hare en wiegde, wiegde het meisje heen en weer. En een wereld van herinneringen aan zijn jongen kwam boven, en een oogenblik leek het hem, als was alles een kwade droom, als had hij zijn kind nog veilig in zijn armen.

Toen riep, ver weg, de moeder. Het meisje stond op, kuste hem even vluchtig op de wang, en rende weg. Dra was ze achter de kromming van het weggetje verdwenen.

De oude man bleef achter. Hij bleef tot de avond gevallen was en de schemering alom uit de landen steeg. Toen ging hij stadwaarts. Nu moest 't allemaal gebeuren, nu moest bij een advertentie plaatsen, rouwkaarten laten drukken, vrienden en kennissen vertellen. Hij dorst niet, — het leek een ontheiliging, dit leed te maken tot gemeen goed van onverschillig aandoend rouwbeklag. En toch, het moest... En hij ging.

En vrienden en kennissen — die volgende dagen — kwamen hem de hand drukken en zeiden woorden van medelijden en meegevoel.

Maar alleen het meisje, het onwetende kind, had geschreid om het onbegrepen leed, alleen het ranke, jonge wezentje, met de klare, onbevangen, schuldelooze oogen, had in zijn armen gesnikt

Sluiten