Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN ZONDERLINGE SNOESHAAN

KEES had vele vrienden en ze mochten hem allen graag, zoolang ze op zijn kamer zaten en zich zelf konden inschenken en opsteken wat ze wilden, daar hij er nooit aan dacht om zelf iets aan te bieden.

Kees had ook vele vriendinnen, want het was een aardige baas, een flinke kloeke kerel met een prettig gezicht. Ze kwamen vaak bij hem oploopen en lachten hem soms eens flink uit als hij al te dwaas, al te verstrooid deed. Maar niemand ging ooit met Kees de straat op. Niet omdat hij er dan vreemd of opvallend uitzag. Integendeel, hij was altijd in de puntjes, met keurige pakken en prachtige jassen, met hoeden en dassen en schoenen, waar niets aan mankeerde.

En toch kon je met Kees niet de straat op. In zijn kamer te midden van zijn eigen bullen, bij zijn pijp en zijn samowaar was hij meestal gewoon als een ander. Het gebeurde wel eens, dat hij midden in een zin bleef steken om dezen na een kwartier, als anderen het gesprek voortgezet hadden, weer op te nemen; — het wilde ook wel eens voorkomen, dat hij zijn violoncel nam en rustig ging spelen en fantaseeren zonder zich meer om zijn gasten te bekommeren, die dan tegen etens-tijd opstonden en maar heengingen zonder van hem afscheid te nemen — maar overigens deed hij normaal.

Op straat was het dadelijk mis. Dan werd hij schuchter, deed hij raar. Hij bleef opeens op het trottoir staan, trok eens aan z'n neus en zette na een paar minuten de wandeling voort. Hij zag altijd kans om tusschen twee elkaar voorbijrijdende trams te geraken, op de zonderlingste wijze met fietsers in botsing te komen, oude dames van de kleine steentjes te loopen of meisjes, die vóór hem hepen de lage schoentjes uit te trappen. Ieder, die niet vooraf gewaarschuwd was of de waarschuwing in den

Sluiten