Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat u me nog eens wat anders zien."

De omstanders trokken af. Na een half uur verliet Kees den duren winkel na de opdracht gegeven te hebben dien avond zijn ouden stroohoed te laten halen teneinde er een nieuw lint om te zetten. De bediende het hem niet uit, smeet nijdig de deur dicht, die hij open had laten staan. De hoed werd ook niet gehaald.

Er is één winkel, waarvan de eigenaar nog steeds van kleur verschiet en zich in de afrekening met zijn klanten vergist, wanneer hij Kees voorbij ziet komen. Het is een kleine koopman in muziekinstrumenten. Kees kwam en komt er vaak langs, had er een cel zien hangen, die hem wel goed leek. Op een kwaden dag stapte hij binnen, vroeg:

„Is die cel te koop ?"

„Zeker," zei de winkelier, wien het op de lippen lag, dat hij geen zaak voor zijn genoegen dreef en er geen verzameling van muziektuigen op na hield.

„Mag ik er eens op spelen ?" ging Kees verder.

„Zeker," stemde de winkelier alweer toe. En Kees ging zitten, — speelde: toonladders, brokstukken, fantasieën. De man achter de toonbank luisterde, dacht middelerwijl aan zijn eten, dat koud werd. Na tien minuten stelde Kees de vraag, waarmede hij had moeten beginnen:

„Hoeveel ?"

„Honderdtwintig gulden," openbaarde de winkelier. Kees speelde door. Beslist, m'n eten wordt koud, piekerde de man.

„Dat is wat veel," meende Kees na een heel poosje.

„Hoeveel had u dan gedacht?" waagde de koopman.

Hij kon een kwartier op het antwoord wachten. Kees had een concert van Lalö begonnen, wist van geen uitscheiden, herhaalde verscheidene maten zóó vaak en zóó hardnekkig,

Sluiten