Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ga door met je verhaal" ■— drong ik aan.

„Nou — we woonden samen in de Ferdinand Bol, in Amsterdam, we hadden een étage. De gebruikelijke „suite", door een schuifdeur gescheiden, een serre er achter, die op gore tuintjes uitkeek, — voor en achter een kabinet. In het achterste sliepen we, vóór aten we. We noemden het de lunchroom. Er hing een goor licht bloemetjesbehang en daar schreven we de krankzinnigste dingen op. Het waren verzen, tenminste die van George. Ik herinner me, dat vlak naast de deur met koeienletters stond:

„Zooals de vlinder fladdert van bloem tot bloem, Zoo fladderen wij in deze lunchroom."

We hebben geen van tweeën ooit begrepen wat het beteekende. Ik was sterker in aphorismen. „Het noodlot is als de bakker om den hoek: ze bakken je leelijke dingen" — en meer van dien aard.

Mina, de vrouw van een naburigen kruier deed ons huishouden, vond eiken morgen op het behang geschreven, wat ze halen moest: V2 fransje, 1 wittebroodje, 1 ons suiker, 1 kan melk, 1 ons rookvleesch. Ze schreef er dan met een meppie potlood de prijzen achter, telde netjes op, met het pootje van een schoolkind, — wij betaalden en streepten de rekening door.

In het huis verging je van de muizen en toen ik 's morgens er een in den neus van mijn pantoffel vond, raade Mina een kat aan. Ze wist een prachtige, •— een echte „muizenpoes".

Op een goeden dag kwam ze aan met een vol, hevig bewegend schort, waar opeens een lange donkere vlek uit flitste — en onmiddellijk spoorloos verdwenen was. Het leek tooverij, want het schort was leeg en nergens meer een kat te zien.

„Hij zal wel wennen" beweerde de vrouw, bemoei u er u eiaen maar niet mee."

Sluiten