Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wc zetten een bordje met melk neer, dat we dien dag driemaal, achteruitloopend van den ezel, omtrapten. De poes liet zich niet zien. 'sAvonds werd er weer melk neergezet; eten mochten we niet geven, want anders ving het beest geen muizen. De melk was den volgenden morgen op. 's Nachts waren we een paar maal wakker geworden door een plotseling hol gestommel in het atelier.

„Dat is de muizenpoes," zei George dan en een oogenblik later, toen er een geweld van de andere wereld klonk, commenteerde hij: „Hij heeft beet."

Maar ik, die net een reclame-plaat onder handen had, — m'n eerste bestelling — ik ging eens kijken of de muizenpoes ons heele hebben en houden niet aan flarden haalde. Er was niets te zien in het atelier, alleen een paar spieramen waren omgevallen.

Zoo duurde het dagen en nachten. De melk was altijd opgedronken, in je slaap schrikte je wakker door het wilde plotseling losbrekende geraas in de andere kamer, — maar de muizenpoes, die daar toch ergens wezen moest in die kleine suite, we zagen ze nooit, hoorden ze nooit overdag; we roken alleen iets.

Het begon ons zenuwachtig te maken. We zaten soms een uur lang te snuffelen onder kasten, achter teekenplanken, tusschen rollen linnen en spieramen om het beest te ontdekken. We hepen liefjes mal „poesie, poesie" te roepen met velletjes worst, ja met heele schijven worst in onze vingers.

Het bleef een geheimzinnjg wonder. Je zag of hoorde niets. De kat moest er zijn in die ruimte van een 36 vierkante meter, zat misschien dag in dag uit stiekem je geheele doen en laten te begluren, maar je merkte het niet.

Dat maakte ons onrustig. De gedachte dat het geheimzinnige wezen vlak naast ons leefde in zonderlinge onzichtbaarheid, sloeg ons op de zenuwen. Het werk leed er onder.

Sluiten