Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst maakten we stomme moppen. Als er een floot, zei de ander: „Sst —* je maakt de muizenpoes misschien wakker," als de ander een sigaretteneindje wegsmeet heette het: „Pas op, — je brandt dat loeder misschien een gat in z'n pels, straks vliegt-ie je aan."

Op 't laatst spraken en dachten we den heelen dag over dat schuwe, schichtige beest, dat we slechts een oogwenk gezien hadden als een lange donkere vlek, die uit het schort flitste en dat sedert onzichtbaar bij ons huisde.

De kruiersvrouw vond het óók raar, beklaagde zich er over, dat het dier nooit op den bak ging en ze zooveel op te ruimen had. Wat geen wonder was, want de bak stond in het volle gezicht.

„Neem het beest maar weer mee," raadden we, toen ook ons de onzindelijkheid der muizenpoes lastig werd en onze zenuwen tot het uiterste gespannen waren. Maar de pootige kruiersvrouw scheen weinig lust te hebben het dierage op te zoeken.

Zoo had het veertien dagen geduurd, toen opeens 's middags George zijn palet neerlegde en vastberaden zei: „Nou zal ik die kat zien, al krabt-ie me de oogen uit. Die kat zien en dan blind worden."

En hij nam een oude sabel, die in den hoek stond, gaf mij de schee.

„Nee — jij kreeg de kling," onderbrak George.

„O ja — omgekeerd, — en ging met de schee tusschen al den weergaschen rommel rammelen.

Wij zouden het onderzoek stelselmatig doen, de eene kamer na de andere, en hadden de schuifdeur tot op een kier dichtgeknepen; heelemaal sluiten kon je het ding niet.

Ik zat met de kling in de hand vóór die kier, zou zorgen, dat die daar niet door uitkneeo. Ik was zenuwachtig als een juff ers-

Sluiten