Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een knap ding, die Annunziata, dacht ik, terwijl ik met mijn lampetkan wegging —< een aangenaam gezicht om naar te kijken, beter dan die vervelende norsche Giorgina met haar blinde oog en haar tandenloozen mond. Het was stellig een aanwinst voor de Casa Tutino en het middageten, door dit mooie, trotsche, propere kind opgediend, zou me zeker beter smaken, dan uit de handen van Giorgina, die de duimen altijd in de soep hield en me vuile glazen en borden voorzette.

Zoo dacht ik en wachtte haast ongeduldig op het noenmaal. Eindelijk hoorde ik ze komen — een zachte tik op de deur en toen ik „avanti" had geroepen kwam ze binnen en schrikte ik zóó, dat mijn voorbereide glimlach om het schuwe meisje een beetje op haar gemak te brengen, op mijn gezicht verstarde»

Want het was afschuwelijk. Ik had Annunziata van ter zijde gezien, van haar „mooie" zijde. Maar over de andere helft van het gelaat liep een afzichtelijk rood litteeken, van mondhoek tot vlak bij het oog en van daar in wijden boog over de wang tot aan het oor. Lo sfregio! De snede met een scherp mes door een afgunstigen of verstooten minnaar toegebracht. Het was afschuwelijk. De wond was ruw genaaid geweest en slecht genezen; de randen er van stonden bol tegen elkander op, de bovenlip was naar boven getrokken, het onderste ooglid naar beneden, zoodat een felle roode rand openlag. Poverella! dacht ik en stamelde een paar 'vriendelijke woorden. Toen kleurde ze en glimlachte even. En die glimlach was zoo deerniswekkend pijnlijk, zoo verschrikkelijk ontstellend in het verminkte gelaat, dat ik de oogen neersloeg en druk bezig met mijn macaroni deed. Toen ik weer opkeek was ze verdwenen, onhoorbaar. Het eten smaakte me niet en ik ging uit mijn kamer aleer ze kwam afdekken.

Vele dagen meed ik haar en zij mij. Maar langzamer-

Sluiten