Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt in me op en ik ren den kerel na. Maar reeds haalt een carabiniere op een fiets mij in.

„Ci penso io," „dat knap ik wel op," roept hij, gebogen over het stuur, Giacomo naijlend. En een tweede carabiniere flitst voorbij. Uit de ramen schreeuwen en vloeken en tieren vrouwen en mannen. Ik ren door, wil er bij zijn als ze den ellendeling grijpen. Dra hebben ze hem ingehaald, Giacomo wijkt plots links uit, maar daar rijdt de tweede carabiniere, die met een ploertendooder hem een geweldigen slag op het hoofd geeft. Hard klinkt de klap. De moordenaar struikelt, de fietsen vallen over hem, hard ratelen ze op de keien, een bel gaat schel over.

Als ik hijgend en buiten adem aankom wordt Giacomo geboeid van de straat opgesjord. Hij grient als een kind, blèrt aanstellerig: „Mamma mia, mamma mia, — o m'n lieve goeie moeder."

„Vooruit ellendeling," en hardhandig, met schoppen en slagen, de harde knuisten meppend op rug en schouder en hoofd, sleepen ze den klagende, huilende de wacht binnen, waar Annunziata ligt, dood. De mooie zijde van haar gelaat is één vredige rust, de verminkte zijde is verwrongen, als ineenhevigen doodsstrijd.

... Giacomo Benvenuto kreeg twintig jaren tuchthuisstraf.

Sluiten