Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MEISJE

ZE had een paar groote donkere oogen — oogen die spotziek en hooghartig soms de wereld inkeken en onbeschroomd eiken jongen man opnamen. Donkere, groote oogen onder fijngewelfde wenkbrauwbogen, als zwarte penseelstreeken, vreemd afstekend bij het goudblonde haar, dat om de slapen en over het voorhoofd wuifde en krulde en dartelde.

Telken morgen, als Jules naar de H. B. S. ging, ontmoette hij haar. Telken morgen zag ze hem recht in de oogen en haast eiken morgen weer kreeg hij een kleur. Hij kon het niet helpen, hij vond het kinderachtig en slungelig, maar het meisje had iets in haar wezen, in haar manier van kijken, spotziek en soms hooghartig, dat hem verlegen maakte en zich deed schamen, 's Avonds bij zijn werk, als hij op mechanica-vraagstukken zat te broeien, opstellen maakte, cosmografie leerde: de wetten van Keppler, rechte klimming, zenith en punt Aries, zag hij haar voor zich, zag hij die oogen, kreeg hij zoo n vreemd, ontroerend verlangen naar haar, dat hij wel had kunnen huilen, 's Morgens, wanneer hij de deur uitging, de schooltasch onder den arm, de schooltasch, die hij haatte, die hem in haar mooie spottende oogen tot een schooljongen, een halfwas maakte, dien een mooi meisje nog als een kind beschouwt — 's morgens wanneer hij de deur uitging, dacht hij in één spanning aan de ontmoeting van straks. Een nieuwe blouse, een nieuw mantelpak, een nieuw zomerjaponnetje waren de groote verrassingen van elk seizoen, en altijd meende hij, dat ze weer liever, weer mooier was. 's Winters, tot aan het neusje in het bont weggedoken, was ze als een klein fijn poesje, dat hij had willen vertroetelen; 's zomers in haar lichte kleedij, het zonlicht glanzend in het helle blond van de haren, was ze broos en luchtig en van één groote, lichtende gezonde blijheid.

Sluiten