Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet belemmerde. Ook kon hij dan wat praten over het weer, de opmerking maken, dat ze zeker wel veel van de zee hield — of iets dergelijks. Het leek ten slotte heel eenvoudig. Wanneer eenmaal door de banale praatjes het ijs gebroken was, wanneer ze elkaar kenden, vrienden waren, zouden ze zelf schateren om het burgerlijke gedoe van hun eerste samenzijn. Al haar mogelijke antwoorden had hij vooruit overwogen, het wederwoord er op voorbereid. En zoo lang had hij zich dit alles uitgebeeld, dat hij ten slotte het besluit nam: hij deed het.

En kordaat stapte hij op den stoel af. Ze had hem zien aankomen, deed of ze erg in haar boek verdiept was. Vlak bij stond hij stil. Nu moest hij in den leegen stoel tegenover haar gaan zitten. Maar opeens weigerde er iets in hem, draaide hij zich op zijn hakken om en ging heen. Achter zich hoorde hij haar gesmoorden lach.

O, het figuur, het jammerlijke figuur! Razend, bijna tranen in de oogen krijgend, hep hij verder, tot opeens, hij dichtbij haar stem hoorde, haar hooge, schorre stem:

„M'nheer u hebt wat verloren," en ze bij hem stond, een handschoen reikte.

„Dank u," stotterde hij, „u is zeer vriendelijk — ik..." En plotseling kwam een van de zinnen boven, die hij vooruit had ophesteld... „Juffrouw, mag ik misschien kennis met u maken ?" Terwijl hij het vroeg, voelde hij de onhandigheid, besefte hij, hoe dwaas, onmannelijk, schroomvallig als een kwajongen hij daar stond tegenover het fiere, zonnige, hooghartige meisje.

Toch dorst hij nog zijn visitekaartje voor den dag te halen, het kaartje, dat hij alvast had laten drukken, met med. stud. er op.

Ze las even, toen zei ze: „Ik heet Willy Sluis." „Wat een aardige naam," vond hij. En op eens moediger, allen schroom op zij zettend: „Mag ik bij u komen zitten?"

Sluiten