Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O nee, heusch niet. Als een van de kennissen van pa of ma het ziet, dan mag ik nooit meer uit." „Kom," vleide hij.

„Nee, werkelijk niet. Dag m'nheer." „Toe, mogen we dan heusch zelfs niet een eindje oploopen? We kennen elkaar toch al zoo lang." „Hoe zoo?" deed ze verwonderd.

„Nu ja, drie jaar lang hebben we elkaar toch eiken morgen ontmoet."

„U vergist u^heusch," meende ze, — „ik weet er tenminste niets van." Dat schrijnde.

„Hoe laat is het?" vroeg ze opeens. „Kwart over vijf."

„O jee — dan moet ik gauw weg. Dag m'nheer." — Ze reikte haar kleine hand.

„Mag ik zeggen tot ziens ?" aarzelde hij.

„Misschien." Lachend liep ze weg. Op een afstand volgde hij, onbesloten. Net voor de tram wegreed sprong hij nog op het volle achterbalkon, waar ze stond, den rug naar hem toe, hand aan de koperen stangen, den vollen wagen inkijkend. Een van de jongelui, waarmede hij haar wel eens gezien had, stond achter haar. Zij hadden hem niet opgemerkt. En hij hoorde het gesprek:

„Kun je vanavond niet ?"

„Misschien," zei ze.

„Kom, we ontmoeten elkaar weer op hetzelfde plekje'hè?— bij de Witte Brug."

„Wat breng je mee ?" vroeg ze. „De broche, die ik je beloofd heb."

„Als je ze niet meebrengt, kom ik nooit meer," dreigde ze. „En wanneer krija ik nu het geld voor een nieuwe blouse?"

Sluiten