Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in hem niets dan een leegte, die niet meer te vullen was.

— Weer klonk de vrouwelach. — En hij perste het voorhoofd tegen de marmeren balustrade, ~ het brandde en gloeide boven zijn oogen.

Toen opeens hoorde hij achter zich de deur van zijn kamer opengaan, zag hoe de kellner binnenkwam.

„Hebt u gebeld?"

„Nee" — kwam hij wezenloos, niet begrijpend. — „Nee ik heb niet gebeld eigenlijk... Kun je me nog wat thee bovenbrengen?"

„Zeker signore." De kellner verdween. Kwam dra terug.

„Hier maar neer zetten, signore?"

„Ja."

„Mooie avond, vindt u niet?"

In zijn behoefte aan afleiding, gezelschap, ging hij op het gesprek in, een gesprek over het seizoen, over den Vesuviüs, over allerhande dingen, tot de kellner vragen dorst:

„U is Hollander, nietwaar?"

„Ja. — Hoe zoo ?"

„Bent u de zoon van m'nheer van Beveren uit Leiden?" vroeg de kellner weer, ditmaal in het Nederlandsch.

„Hè?" kwam hij, verbluft. — „Ja — dat ben ik."

„Herkent u me niet meer?" Zachtjes had de kellner het gefluisterd, de oogen neergeslagen, het servet bedremmeld in de handen frommelend.

„Nee — hoe dat zoo ?" hakkelde van Beveren.

„We hebben samen schoolgegaan," fluisterde de bediende en op z'n oude. afgetobde gezicht kwam een kleur, — „ik ben Henri, u weet wel — Henri Vermeer, van de Papengracht."

Hij herinnerde het zich niet. Het was zoo ver weg, er lag zooveel, zoo eindeloos veel tusschen. En hij vorschte op het gelaat van den kellner een trek. die zijn geheugen zou scherpen,

Sluiten