Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's Nachts — we studeerden toen in Leiden — kwam ik eens met hem uit een huis aan de Doezastraat. In de heele breede nachtverlaten straat liep één man, en daar bonsde hij natuurlijk tegen op. Gedronken had hij niets.

Enfin — ik zou je honderd staaltjes kunnen opsommen. Een jaar of tien geleden logeerde ik bij een zuster in Apeldoorn, 's Avonds laat wordt er gebeld, staat Karei voor me, vies, stoffig, oliezwarte handen, een vlekkige stinkende gummi-jas aan.

„Goeienmiddag," groette hij.

„Goeienavond," verbeterde ik en het spijt me nog altijd, dat ik niet goeiennach t zei en hem de deur voor den neus dichtsmeet.

Om kort te gaan: hij kwam logies vragen en na zich eenigszins toonbaar gemaakt te hebben, volgde het verhaal, de opsomming van motorellende van een onhandiger) pechvogel. Karei had een motorfiets gekocht voor z'n zaken, die dan ook sinds volkomen verloopen zijn, — en omdat de dag zomersch mooi was en hij graag vóór tafel bij zijn vrouw terug wilde zijn (het was elf uur toen hij hij ons aanbelde!) was hij maar met den motor van Haarlem naar Zwolle getuft voor zijn „zaken". Tenminste, dat was het plan. De werkelijkheid bleek, dat bij Utrecht z'n kar kuren had gekregen en halfweg Amersfoort bot had gestopt. Na vijf kwartier met het zware ding langs den straatweg te hebben gezwoegd kon hij nog net den trein naar Zwolle halen, waar herstellingen werden aangebracht. Om vier uur kon hij weer vertrekken, — was nog geen half uur onderweg of de kuren keerden acuut terug en na eenige hysterische knallen stond het weerbarstige wezen wéér stil.

„Wat moest ik er mee doen ?" vroeg hij mij.

„Tegen een boom zetten en wegwandelen of je van niks wist," — raadde ik. Maar Karei had geen gevoel voor spot. Enfin ~- hij was zelf aan het herstellen geraakt, had eenige onderdeden, waarin de fout natuurlijk niet schuilde, uit elkaar

Sluiten