Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dank je — een machine, die ik niet ken en die de hemel weet wat voor klungelige reparatie heeft ondergaan."

Maar hij hield vol, liet zich ontvallen, dat Marietje zoo vaak naar me vroeg en dolblij zou zijn als zij me zag. Marietje was een lief meisje in Haarlem, reden waarom ik de betrekkingen met Karei zoo vriendschappelijk onderhield.

Ik had per trein kunnen gaan, maar er is iets in een motorfiets dat indruk maakt op meisjesharten. En ik zwichtte.

Bij den hersteller poogde Karei vijf maal den motor aan te trappen. De zesde maal rukte hij de hak van zijn schoen, zonder dat dit offer ook maar eenigszins het hardnekkige stalen ding bleek te bevredigen.

„O nee — m'nheer" — zei de gewezen hoefsmid, die vijf en twintig gulden voor zijn werk had gekregen, — „o jee nee, — de cyhnder zuigt nog wat moeilijk. Wacht — gaat u maar zitten en m'nheer ook." Dat was tegen mij.

Nauwelijks zaten we of de smid en de drie smidsjongens begonnen het hoestende, proestende, kuchende, hijgende ding met alle macht voort te duwen.

„Geef dan contact," riep de toch wel pootige smid, dien het zweet al tappelings langs het gezicht liep. Hij moest wel bar moeilijk zuigen, — ik bedoel den cylinder.

Karei gaf contact. Ik vergeet het mijn leven niet. Een knal of een dynamietfabriek in de lucht vloog, — een ruk, die me bijna een hersenschudding op de keien bezorgde — en vóórt raasden we. De motor bonkte, rammelde, brulde. De raarste geluiden, behalve die, welke je van een motor gewend bent, — bracht hij voort.

Als dollen schoten we vooruit. „Temper dan toch 1" schreeuwde ik aan Kareis oor. Wanhopig zochten z'n handen aan krukken en hef boomen. Als hij er een een beetje verzette begon dadelijk de motor te haperen, sloeg van de twintig slagen er vijf

Sluiten