Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over en die vijf remden dan zóó geweldig, dat je als een slecht ruiter op een bokkenden muilezel vóór- en achteruit werd gekwakt. Ik sloeg zóó gemeen met m'n kin tegen Kareis schouder, dat ik de tong tot bloeden beet. Zoo prutste Karei een paar minuten, — hield op toen hij blijkbaar een zeeziekte voelde opkomen. Het was duidelijk: de verknoeide machine kon alleen op volle kracht loopen.

„Stop dan toch," riep ik na een poosje, toen er nog vervaarlijker geluiden uit den motor knalden.

„Je krijgt 'm immers niet meer op gang," bezweerde hij.

„Dat is de bedoeling ook niet. Als jij je nek wil breken, doe het dan alleen," protesteerde ik.

„Hij zal wel inloopen," kalmeerde Karei en gaf een pompslag ólie, waardoor de kwaadaardige geluiden wel verminderden, doch vuile, walmende wolken uit den knalpot daverden. Menschen, die ons in de verte hoorden aankomen, vluchtten op den berm achter de boomen. Voerlieden stapten af, hielden hun paarden bij het hoofdstel. We naderden Amersfoort. „Stop nu," riep ik weer; ik had al zadelpijn.

„Waarom zouden wij niet doorrijden?" kwam hij nuchter. „Er zit een aardig gangetje in."

„Veel te aardig," vond ik. Voorfrnij was de aardigheid er al lang af.

We stoven Amersfoort door. „Rechts!" schreeuwde ik. Maar de motor had te veel vaart, kon de bocht niet nemen en in plaats van de richting Hilversum namen we die van Utrecht. In die stad schampten we de voetplank tegen een tram, reden een slagersjongen om, begingen vrijwel een ongeluk aan een agent, die ons met witte indrukwekkende handschoenen stoppen wou.

„Hou je hand voor het nummer ónder je," raadde Karei, en dat is de eenige handige streek, dien ik me van denonhandigen kinkel herinner. '

Sluiten